Brede diëtisten informatie over voedingsdoelen

Zoetstoffen

In de praktijk veroorzaken zoetstoffen nauwelijks een allergische reactie of intolerantie. In de meeste gevallen is er sprake van een aversie.

Zoetstoffen worden als additief aan voedingsmiddelen toegevoegd. Voorbeelden van andere additieven zijn kleurstoffen, smaakstoffen of conserveermiddelen. Additieven worden ook wel hulpstoffen genoemd. Hulpstoffen kunnen verschillende doeleinden hebben. Het kan bijvoorbeeld de smaak, de kleur of houdbaarheid van een product verbeteren. Zoetstoffen worden aan een product toegevoegd om het een zoete smaak te geven. Voorbeelden van producten zijn: koek, snoep en light frisdrank. 

 

Soorten

Niet alleen zoetstoffen kunnen een product zoet maken. Ook suiker doet dit. Om die reden kunnen zoetstoffen en suiker elkaar vervangen.

Er zijn echter verschillende soorten zoetstoffen:

  • Natuurlijke zoetstoffen: Natuurlijke zoetstoffen komen in de natuur voor. Bijvoorbeeld in fruit.
  • Chemische zoetstoffen: Chemische zoetstoffen worden ook wel kunstmatige of synthetische zoetstoffen genoemd. Deze zoetstoffen komen niet in de natuur voor. Ze worden in een laboratorium gemaakt.
  • Intensieve zoetstoffen: Intensieve zoetstoffen zijn voornamelijk chemische zoetstoffen. Deze zoetstoffen zijn vele malen zoeter dan suiker. Ten opzichte van suiker leveren intensieve zoetstoffen weinig tot geen kilocalorieën (kcal). Met andere woorden ze leveren weinig tot geen energie. Hierdoor kan het bijdragen aan het beperken of voorkomen van overgewicht. Voorbeelden van intensieve zoetstoffen zijn: aspartaam en cyclamaat. Maar ook de nieuwkomer stevioside. In de volksmond ook wel stevia genoemd. Deze intensieve zoetstoffen worden verder toegelicht onder het kopje ‘voeding’.
  • Extensieve zoetstoffen: De meeste extensieve zoetstoffen zijn natuurlijke zoetstoffen. Extensieve zoetstoffen worden ook wel polyolen genoemd. Dit zijn zoetstoffen die ongeveer even zoet zijn als suiker. Daarbij leveren deze zoetstoffen, net als suiker kilocalorieën (kcal). Dit maakt extensieve zoetstoffen minder geschikt voor mensen die willen afvallen. Voorbeelden van polyolen zijn: sorbitol en xylitol. Deze extensieve zoetstoffen worden verder toegelicht onder het kopje ‘voeding’.

 

E-nummers

Zoetstoffen kunnen aan diverse voedingsmiddelen zijn toegevoegd. Ze zijn echter ook los verkrijgbaar. Bijvoorbeeld als zoetjes of zoetstof. Op het etiket worden toegevoegde zoetstoffen aangegeven met een zogenaamd E-nummer. E-nummers zijn natuurlijke of chemische additieven die aan voedingsmiddelen zijn toegevoegd. De E-nummers voor zoetstoffen zijn E420, E4211 en E950 tot en met E968. Alle E-nummers zijn door de Europese Unie (EU) veilig bevonden. De EU is een samenwerkingsverband tussen 27 landen in Europa op politiek en economisch vlak. Dit samenwerkingsverband geeft aan dat alle EU landen zich aan bepaalde regels moet houden. Zoetstoffen die een negatieve invloed kunnen hebben op de gezondheid krijgen geen E-nummer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het veilig bevinden van E-nummers echter geen garantie hoeft te zijn voor het uitblijven van klachten. In principe kan elke stof schadelijk zijn voor de gezondheid. Het hangt er echter van af hoeveel het lichaam ervan binnen krijgt. Maar ook hoe het lichaam op een bepaalde stof reageert.

 

Om die reden heeft de EU de Aanvaardbare Dagelijkse Inname (ADI) ingesteld. De ADI geeft aan hoeveel milligram iemand per kilogram lichaamsgewicht van een bepaalde zoetstof per dag kan innemen. Zonder dat de gezondheid, voor zover bekend is, in gevaar komt. Hierbij staat 1 milligram gelijk aan 0,001 gram. De meeste mensen blijven met de inname van zoetstoffen ver onder de ADI. Over het algemeen kunnen volwassenen daarbij een grotere hoeveelheid verdragen dan kinderen. Kinderen hebben namelijk een lager lichaamsgewicht. Hierdoor kunnen vooral jonge kinderen sneller aan de ADI zitten. De ADI voor intensieve zoetstoffen is een strikte hoeveelheid. Bij overschrijding van deze waarde is de kans groot dat er nadelige gevolgen voor de gezondheid optreden. Bij extensieve zoetstoffen geldt de ADI meer als richtlijn. Polyolen oftewel extensieve zoetstoffen zijn voornamelijk afkomstig uit de natuur. Hierdoor zijn extensieve zoetstoffen relatief veilig in gebruik. Uit onderzoek is gebleken dat de toxiciteit van polyolen vrijwel nihil is. De toxiciteit is de mate waarin een stof schadelijk is voor de gezondheid. In te grote hoeveelheden kunnen polyolen echter wel maagdarmklachten veroorzaken. Met name bij mensen die daar gevoelig voor zijn. De ADI voor extensieve zoetstoffen geldt dan ook meer voor dit soort groepen mensen. 

 

Oorzaken

Sinds de Tweede Wereldoorlog is het gebruik van additieven sterk toegenomen. Tegenwoordig bevat bijna elke voedingsmiddel dat industrieel wordt verwerkt additieven. Zoetstoffen zijn vooral populair geworden in relatie tot afvallen. Aan zoetstoffen wordt echter ook wel eens een negatieve lading meegegeven. Zo zouden sommige zoetstoffen kankerverwekkend zijn. Ook zouden kinderen, net als van kleurstoffen en suiker, hyperactief worden. Beide effecten zijn echter nooit wetenschappelijk bewezen. Er zijn daarentegen wel bepaalde mensen die overgevoelig op zoetstoffen kunnen reageren. Deze reactie wordt ook wel een overgevoeligheidsreactie genoemd.

Globaal zijn er drie verschillende overgevoeligheidsreacties:

  • Allergie: Bij een voedselallergie komt het afweersysteem in actie. Het afweersysteem zorgt ervoor dat het lichaam beschermd is tegen allerlei infecties en gevaren van buitenaf. Bij een voedselallergie ziet het lichaam een bepaalde (voeding)stof als lichaamsvreemd. Zeer kleine hoeveelheden kunnen al een reactie veroorzaken. Het gevolg van deze reactie is dat het lichaam stoffen gaat aanmaken om het ‘vreemde’ stofje op te ruimen. Tijdens het opruimen van de ‘vreemde stof’ komt histamine vrij. Histamine is het stofje dat allerlei allergische reacties teweeg brengt. Een andere benaming voor voedselallergie is een allergische voedselovergevoeligheid. Denk bijvoorbeeld aan koemelkallergie.
  • Intolerantie: Een intolerantie wordt ook wel niet-allergische voedselovergevoeligheid genoemd. Dit komt omdat het afweersysteem in het lichaam buiten beschouwing blijft. Hierdoor komt er geen histamine vrij. Desondanks kan een bepaald voedingsmiddel wel een lichamelijke reactie veroorzaken. De reactie treedt echter alleen op bij bepaalde hoeveelheden van een voedingsmiddel of voedingsstof. Bij anderen mensen veroorzaakt dat betreffende voedingsmiddel in dezelfde hoeveelheden geen klachten. Wat de reactie precies veroorzaakt, is niet altijd bekend. Een intolerantie is in tegenstelling tot een allergie in principe niet levensbedreigend. Een voorbeeld hiervan is een glutenintolerantie oftewel coeliakie.
  • Aversie: Een voedselaversie is een afkeer tegen een voedingsmiddel om psychische redenen. Iemand kan bijvoorbeeld een aversie voor vis hebben. Bijvoorbeeld omdat diegene na het eten van vis een keer ziek is geworden. Maar iemand kan ook een aversie hebben als diegene de overtuiging heeft allergisch te zijn voor een bepaald voedingsmiddel. En dit door medisch onderzoek niet bevestigd kan worden. Een aversie wordt ook wel psychologische overgevoeligheid genoemd. Puur door te denken dat er sprake is van een allergie of intolerantie, vertoond het lichaam een negatieve reactie op een voedingsmiddel. Als het voedingsmiddel echter onherkenbaar wordt toegediend, blijft de reactie uit.

 

Er zijn echter ook mensen die denken allergisch of intolerant voor zoetstoffen te zijn. In de praktijk blijkt dit echter zelden het geval. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van zoetstoffen bij overgevoeligheidsreacties. Een voorbeeld is de intensieve zoetstof aspartaam. Hierbij heeft echter geen enkel onderzoek kunnen aantonen dat aspartaam een allergische reactie veroorzaakt. Ook waren er mensen die dachten allergisch te zijn voor aspartaam. Deze overtuiging kon echter niet door wetenschappelijk onderzoek worden bewezen. Over het algemeen geldt dat er bij zoetstoffen vaker sprake zal zijn van een aversie. Daarentegen neemt de kans op een intolerantie bij extensieve zoetstoffen toe. Dit in vergelijking met intensieve zoetstoffen.

Extensieve zoetstoffen veroorzaken nauwelijks bijwerkingen. Met uitzondering van de maagdarmklachten. Deze klachten worden veroorzaakt doordat het lichaam overgevoelig reageert op polyolen. Polyolen worden niet of nauwelijks in de dunne darm opgenomen. Vanuit de dunne darm gaat de zoetstof vrijwel direct naar de dikke darm. De dikke darm zorgt voor opname van de polyolen in het bloed. Hiervoor dienen de polyolen eerst te worden afgebroken. Dit gebeurt door de bacteriën in de dikke darm oftewel de darmflora. Deze ‘goede’ bacteriën komen daar van nature voor. Een andere benaming voor afbraak door bacteriën is fermentatie. Bij fermentatie ontstaan bijproducten, zoals gas. Deze bijproducten kunnen klachten veroorzaken. De mate waarin klachten optreden, verschilt per persoon. Dit heeft onder andere te maken met de darmflora. De samenstelling van de bacteriën in de dikke darm verschilt echter per persoon. Hierdoor kunnen sommige mensen polyolen beter verdragen dan andere mensen.

Een bepaalde hoeveelheid hoeft dus bij de een geen klachten te veroorzaken. Terwijl het bij een ander in dezelfde hoeveelheid wel klachten veroorzaakt. Bij extensieve zoetstoffen kan er dus sprake zijn van een intolerantie. Bij een intolerantie geven kleine hoeveelheden van een voedingsmiddel vaak geen problemen. Normale porties daarentegen kunnen wel klachten veroorzaken. De tolerantiegrens bepaalt onder andere bij welke hoeveelheid van een voedingsstof iemand klachten krijgt. Dit wordt ook wel de drempelwaarde genoemd. Afhankelijk van omstandigheden kan de tolerantiegrens (tijdelijk) veranderen. Bijvoorbeeld bij ziekte, stress, lichamelijke inspanning of alcoholgebruik.

 

Symptomen

De symptomen die bij een overgevoeligheidsreactie voor zoetstoffen kunnen ontstaan zijn onder andere:

  • diarree;
  • buikpijn;
  • hoofdpijn;
  • misselijkheid;
  • opgeblazen gevoel;
  • krampen in de maag of darm;
  • winderigheid, door de gasvorming van de dikke darmbacteriën.

 

Diagnose

Bij klachten is het aan te raden een arts te raadplegen. Het is echter niet gemakkelijk om de diagnose voor een zoetstoffenovergevoeligheid te stellen. Veel symptomen kunnen ook bij vele andere ziektebeelden voorkomen. Daarnaast zijn er geen specifieke testen voor overgevoeligheid bij zoetstoffen. Dit maakt het moeilijk te bepalen voor welke zoetstof(fen) iemand overgevoelig is. Voor het stellen van de diagnose kan een arts wel andere voedselallergieën en meer ernstige aandoeningen uitsluiten. Hiervoor kan een arts gebruik maken van diverse testen.

Een voorbeeld van een allergietest is de huidtest. Bij een huidtest wordt de verdachte stof in de huid geprikt. Aan de hand van de reactie van de huid kan worden bepaald of iemand allergisch voor die stof is. De meeste testen worden over het algemeen in het ziekenhuis of bij de huisarts afgenomen.

Uiteindelijk voor het definitief vaststellen van de diagnose kan gebruik worden gemaakt van eliminatie en provocatie. Dit wordt normaal gesproken door een diëtist gedaan. Het ‘verdachte’ voedingsmiddel wordt voor een bepaalde tijd uit de voeding gemeden. Bij een zoetstoffenovergevoeligheid wordt de zoetstof uit de voeding vermeden. Dit wordt eliminatie genoemd. Bij eliminatie dienen de klachten te verdwijnen. 

Na verloop van tijd worden het product langzaam weer toegevoegd. Het opnieuw toevoegen aan de voeding wordt provocatie genoemd. Indien er sprake is van overgevoeligheid zal het lichaam bij provocatie een negatieve reactie geven. Bijvoorbeeld buikpijn of diarree. Bij sterke lichamelijke reacties wordt aangeraden om de test in het ziekenhuis onder toezicht van een arts te doen.

Een variant op dit onderzoek is het dubbelblind placebo gecontroleerd eliminatie-provocatieonderzoek. Dit onderzoek vindt plaats in het ziekenhuis. Vooral bij het vaststellen van een aversie biedt deze methode uitkomst. Tijdens een dubbelblind onderzoek is voor zowel de patiënt als de arts niet duidelijk welk product er aan de patiënt wordt aangeboden. Het product kan een nepproduct oftewel placebo zijn. Een placebo lijkt erg op het oorspronkelijke product. Maar het kan ook het originele product zijn waar de patiënt overgevoelig op reageert. Omdat tijdens het onderzoek niemand weet welk product, placebo of echt, wordt aangeboden, kan de patiënt eventuele reacties van de arts niet aflezen. Hierdoor kan er met meer zekerheid gezegd worden of er sprake is van een overgevoeligheidsreactie. Want het kan ook zijn dat iemand denkt dat hij/zij overgevoelig is. De gedachte alleen is dan voldoende om een lichamelijke reactie uit te lokken. Tot zover bekend, is een dubbelblind placebo gecontroleerd onderzoek de meest betrouwbare methode.

zoetstoffenadditiefnatuurlijke zoetstofkunstmatige zoetstofintensieve zoetstofextensieve zoetstofgedragovergevoeligheidsreactieallergieintolerantieaversieeliminatie-provocatieE-nummerdieetsuikerdiabetes mellitustandvriendelijkPKUaspartaamxylitolcyclamaatsorbitolstevia

Voeding

Zoetstoffen spelen in de voeding een steeds grotere rol. Bij een gezonde gevarieerde voeding is het gebruik van zoetstoffen echter niet per definitie noodzakelijk. Dit geldt overigens ook voor het toevoegen van suiker.

Het gebruik van zoetstoffen ten opzichte van suiker biedt daarentegen wel een aantal voordelen:

  • Gewichtsverlies: Vervanging van suiker door intensieve zoetstoffen kan bijdragen aan het verliezen van gewicht. Hierdoor hoeven mensen die willen afvallen bepaalde producten minder vaak te vermijden. Extensieve zoetstoffen daarentegen worden vaak gebruikt in producten die ook behoorlijk wat vet leveren. Voorbeelden zijn: koekjes en chocolade. Met het oog op gewichtsverlies blijft het belangrijk dit soort producten te beperken. Ook al is het gezoet met zoetstoffen in plaats van suiker.
  • Tandvriendelijk: Zoetstoffen zullen het ontstaan van cariës niet bevorderen. Een ander woord voor cariës is gaatjes. Zoetstoffen worden pas in de dikke darm door de bacteriën afgebroken. Dit in tegenstelling tot suiker. Suiker wordt al deels in de mond door bacteriën gefermenteerd.
  • Diabetes Mellitus (DM): Diabetes Mellitus is een stofwisselingsziekte. Hierbij kan het lichaam geen of onvoldoende insuline aanmaken. Insuline is een hormoon dat ervoor zorgt dat glucose oftewel suiker in de cellen kan worden opgenomen. Suiker krijgt het lichaam met de voeding binnen. Door opname van glucose in de cellen kan de bloedsuikerspiegel dalen. De bloedsuikerspiegel is een term voor de hoeveelheid suiker oftewel glucose dat in het bloed aanwezig is. Suiker uit de voeding wordt in het bloed opgenomen. Hierdoor kan de bloedsuikerspiegel stijgen. Insuline vangt normaal gesproken deze stijging op, door glucose in de cellen te laten opnemen. Maar bij DM schiet de productie van echter insuline tekort. Het kost mensen met DM dan ook meer moeite om de bloedsuikerspiegel binnen de perken te houden. Om die reden wordt mensen met DM geadviseerd om suiker met mate te gebruiken. Intensieve zoetstoffen kunnen daarentegen wel worden gebruikt. Deze zoetstoffen leveren geen kilocalorieën. Daarnaast worden ze langzaam opgenomen in het bloed. Hierdoor hebben ze een verwaarloosbaar effect op de bloedsuikerspiegel. Door gebruik van intensieve zoetstoffen kunnen mensen met DM vrij gevarieerd blijven eten. Zonder dat de bloedsuikerspiegel al te veel uit balans raakt. De mate waarin de extensieve zoetstoffen de bloedsuikerspiegel doen stijgen, verschilt per soort. Dit is onder andere afhankelijk van hoe de zoetstof in het lichaam wordt verwerkt.
  • Prijs: Veel zoetstoffen zijn in gebruik goedkoper dan suiker. De kosten van zoetstoffen zijn vaak laag, omdat er voor de smaak vaak minder van gebruikt hoeft te worden. Daarnaast kunnen zoetstoffen meestal langer dan suiker worden bewaard.

 

Voor bepaalde groepen kan het gebruik van zoetstoffen echter ook nadelig zijn. Bijvoorbeeld als er sprake is van een overgevoeligheid voor zoetstoffen. In dat geval kan een dieet bij zoetstoffen helpen. Een dieet is echter alleen zinvol als de overgevoeligheid met een dubbelblind eliminatie-provocatieonderzoek is aangetoond. Is dit niet het geval, dan zijn er andere behandelingsmethoden nodig.

De dieetbehandeling bestaat uit een voeding waarbij de zoetstof, die de klachten veroorzaakt, wordt vermeden. Zoetstoffen worden aan zeer veel voedingsmiddelen toegevoegd. Daarom is het verstandig om bij het dieet te weten welke producten wel of geen zoetstof bevatten. Het etiket van voedingsmiddelen kan hierbij helpen. Op een etiket kan aan de hand van het E-nummer of de naam worden afgelezen of een product zoetstoffen bevat. Een diëtist (bijvoorbeeld van DietCetera) kan hierbij helpen.

 

Hieronder worden een aantal belangrijke zoetstoffen uitgelicht:

  • Aspartaam (E951): Aspartaam is een kunstmatige zoetstof. Het wordt onder andere veel gebruikt in lightproducten. De European Food Safety Authority (EFSA) is een onafhankelijk onderzoeksinstituut voor de voedselveiligheid in Europa. Het adviseert de Europese Commissie over onder andere E-nummers en de veiligheid van nieuwe voedingsstoffen. De Europese Commissie is het uitvoerende orgaan van de Europese Unie (EU). De EFSA beschouwt aspartaam als een veilige zoetstof. Mits de ADI van 40 milligram per kilogram lichaamsgewicht niet wordt overschreden. Desondanks wordt aspartaam nogal in een kwaad daglicht gezet. Zo zou uit onderzoek blijken dat aspartaam een kankerverwekkende stof is. Dit was voor de EFSA reden om de veiligheid van aspartaam opnieuw zorgvuldig te onderzoeken. Ondanks zorgvuldig onderzoek heeft de EFSA niet wetenschappelijk kunnen bewijzen dat aspartaam kanker zou veroorzaken. Wel is bekend dat aspartaam in grote hoeveelheden maagdarmklachten kan veroorzaken. Daarnaast is de zoetstof ongeschikt voor mensen met phenylketonurie (PKU). Aspartaam bevat namelijk fenylalanine. Fenylalanine is een aminozuur. Een aminozuur is een onderdeel van eiwit. Eiwitten zijn de bouwstenen van het lichaam. Mensen met PKU kunnen fenylalanine echter niet goed afbreken. Hierdoor kan het aminozuur fenylalanine zich in het bloed opstapelen. Opstapeling van fenylalanine kan onder andere schade aan de hersenen veroorzaken.
  • Cyclamaat (E952): Ook cyclamaat is een kunstmatige zoetstof. Het wordt onder andere veel gebruikt in light dranken. Extra aandacht gaat uit naar het gebruik van cyclamaat bij kinderen. Cyclamaat wordt namelijk voor een deel onveranderd uitgescheiden met de urine. Het andere deel wordt echter door de darmflora verwerkt. De darmflora van jonge kinderen (tot vier jaar) kan cyclamaat mogelijk nog niet goed verwerken. Hierdoor kunnen kinderen relatief gemakkelijk de ADI van 7 milligram per kilogram lichaamsgewicht overschrijden. Daarom wordt aanbevolen om bij kinderen op te passen met het gebruik van cyclamaat.
  • Stevioside (E960): Stevioside is een natuurlijke zoetstof. Het is afkomstig van de bladeren van de steviaplant. De steviaplant komt oorspronkelijk uit Zuid- en Centraal Amerika. In Nederland is stevia als zoetstof lange tijd verboden geweest. Pas na zorgvuldig onderzoek van de EFSA is het gebruik van stevia veilig bevonden. Desondanks is de zoetstof alleen toegestaan in een beperkt aantal voedingsmiddelen. De ADI van stevioside is 4 milligram per kilogram lichaamsgewicht.
  • Extensieve zoetstoffen, zoals sorbitol (E420) en xylitol (E967): Extensieve zoetstoffen worden veel gebruikt in suikervrije producten. Denk bijvoorbeeld aan suikervrije kauwgom. Bij gezonde personen veroorzaken ze nauwelijks bijwerkingen. Bij een inname van meer dan 30 gram per dag kunnen er echter wel maagdarmklachten ontstaan. Met name bij mensen met een intolerantie voor zoetstoffen. Bij deze groep mensen kunnen echter ook al bij kleinere hoeveelheden klachten ontstaan.

 

Onderzoek

  • Aspartaam is een omstreden zoetstof. Al sinds de jaren tachtig is aspartaam het onderwerp van vele onderzoeken. Toch is de zoetstof na diverse beoordelingen van de EFSA als veilig beschouwd. Onlangs heeft de EFSA in opdracht van de Europese Commissie opnieuw onderzoek gedaan. Ook hier blijkt aspartaam veilig. Mits er gehouden wordt aan de huidige aanvaardbare dagelijkse inname (ADI). 
  • Aangenomen wordt dat de toevoeging van zoetstoffen aan alcoholhoudende dranken meer invloed heeft op het drinkgedrag van jongeren. Dit in tegenstelling dan wat tot op heden werd gedacht. Veel jongeren die beginnen met drinken, hebben een afkeer voor de bittere smaak van alcohol. Deze zogenaamde smaakaversie kan door het gebruik van zoetstoffen of suikers worden onderdrukt. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM staat voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dit is een kennis- en onderzoeksinstituut van de Nederlandse overheid. De zoete smaak van sommige alcoholhoudende dranken wordt door jongeren beter gewaardeerd. Hierdoor bestaat de kans dat er op jonge leeftijd sneller en meer alcohol wordt gedronken. Daarnaast zouden toegevoegde zoetstoffen en suikers in alcohol de kans op een alcoholverslaving groter maken. Dit bleek echter uit onderzoek van het RIVM bij ratten. Voor het effect bij mensen is nog geen informatie beschikbaar. 
  • Van de Nederlandse kinderen tussen de twee en zeven jaar krijgt 58% zoetstoffen binnen. De hoeveelheid zoetstoffen die de kinderen binnen kregen, lag ver onder de desbetreffende ADI. Dat blijkt uit onderzoek van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) en het RIVM. De NVWA is een organisatie van de overheid die toeziet op de veiligheid van voedsel en producten. Daarnaast bewaakt het de gezondheid van dieren en planten.
  • Foodwatch komt op voor het consumentenrecht op veilig en gezond voedsel en juiste informatie daarover. Juist met voedseltoevoegingen kan dat extra informatie verschaffen.

 

Externe informatie of producten

We zijn extern onderstaande boeken, betreffende zoetstoffen in voeding, voor u tegengekomen:

  • E=eetbaar? Auteur J. Kamsteeg, Nederlands, 318 pagina's. Op de etiketten van verschillende voedingsmiddelen staat informatie over de voedseltoevoegingen. Er wordt echter niet op vermeld wat de effecten ervan (kunnen) zijn. Deze informatie verschaft E = eetbaar? wel: behalve de herkomst en functie van meer dan 368 hulpstoffen worden ook de bijwerkingen daarvan beschreven.
  • Praktijkgids WAAR&WET additieven in levensmiddelen. Auteur Jeroen Hendrickx, Nederlands, 136 pagina's. In deze praktijkgids bespreekt de schrijver de verordeningen betreffende additieven en aroma's. Naslagwerk met E-nummers en een volledige lijst van toegestane additieven, kleurstoffen en zoetstoffen.
  • Basiskookboek Voedselallergie en Intolerantie. Diverse auteurs, Nederlands, 400 pagina's. Het boek biedt het antwoord op de vraag naar recepten voor aangepaste gerechten. De recepten geven steeds dieetaanpassingen zonder: koemelk, lactose, kippeëi, pinda's noten, additieven, cacao, saccharose, citrusfruit, soja, vis, schaal- en schelpdieren, aardappelen en maïs.

 

Disclaimer voedingsdoelen

DietCetera geeft u met bovenstaande tekst slechts algemene informatie. Wij hebben deze tekst niet gericht op individuele personen en omstandigheden. Vanzelfsprekend hebben we wel getracht deze informatie zo duidelijk en correct mogelijk te omschrijven. U blijft echter zelf verantwoordelijk voor uw eigen keuzes en interpretaties. Mocht u specifieke vragen of problemen hebben dan adviseren we u contact op te nemen met uw (huis)arts, diëtist of andere deskundigen. DietCetera is niet aansprakelijk voor eventuele schade ten gevolge van het onjuist interpreteren van deze tekst.

 

Vorige

top