Brede diëtisten informatie over voedingsdoelen

Diabetes mellitus

Wanneer er nog geen sprake is van diabetes type II, kan gezond leven en een gezond gewicht diabetes type II voorkomen. Maar daarnaast wordt ook de kans op andere aandoeningen en ziekten verlaagd, zoals hart- en vaatziekten.

Diabetes mellitus of suikerziekte is een stofwisselingsziekte. Een stofwisselingsziekte is een ziekte die een verstoring van de stofwisseling veroorzaakt. De stofwisseling is het geheel van processen die plaatsvinden in de cellen van het lichaam. Een ander woord voor stofwisseling is metabolisme. Een voorbeeld van een stofwisselingsproces is het opnemen van voedingsstoffen in het lichaam. Voedingsstoffen zijn de stoffen waaruit voedingsmiddelen zijn opgebouwd, zoals eiwit, koolhydraten en vet. Een ziekte van de stofwisseling wordt veroorzaakt door een tekort aan of ontbreken van een stof. Diabetes kan worden veroorzaakt door een tekort aan insuline. Dit is niet altijd de oorzaak. Soms is er voldoende insuline, maar reageert het lichaam hier niet meer op. Insuline is een hormoon. Een hormoon is een stof die een specifieke functie vervult in het lichaam. De functie van insuline wordt verderop uitgelegd. Diabetes is chronisch wat wil zeggen dat het langdurig of levenslang aanhoudt.

Diabetes is de meest voorkomende ziekte in Nederland. In 2011 hadden een miljoen mensen diabetes. 740.000 mensen wisten dat ze diabetes hadden. 250.000 mensen hadden diabetes, maar waren nog niet gediagnosticeerd. Ieder jaar horen 71.000 Nederlanders dat ze diabetes hebben. Tussen 2000 en 2007 is het aantal diabetespatiënten met 55% gestegen. Wanneer deze trend doorzet, zullen ruim 1,3 miljoen Nederlanders diabetes hebben in 2025. Hier komt een onbekend aantal mensen bovenop bij wie het nog niet is ontdekt. Momenteel hebben zo’n 15.000 Nederlandse kinderen en adolescenten diabetes. Diabetes komt ongeveer even vaak voor bij mannen als bij vrouwen. De stofwisselingsziekte heeft een domino-effect. Een domino-effect is een gebeurtenis die leidt tot andere vergelijkbare gebeurtenissen. Veel diabetespatiënten krijgen namelijk ook te maken met hart- en vaatziekten, uitval van de nieren en slechtziendheid.

 

Koolhydraten

Koolhydraten komen in grote hoeveelheden voor in de voeding. Koolhydraten vormen een belangrijke energiebron voor de mens. Koolhydraten kunnen worden ingedeeld in vier groepen: enkelvoudige, tweevoudige en meervoudige koolhydraten en suikeralcoholen. Enkelvoudige koolhydraten kunnen niet in kleinere koolhydraten worden gesplitst. Tweevoudige en meervoudige koolhydraten kunnen wel in kleinere koolhydraten worden gesplitst. Deze zijn opgebouwd uit enkelvoudige koolhydraten.

 

De enkelvoudige koolhydraten zijn:

  • Glucose (druivensuiker): Glucose komt van nature voor in vruchten en honing.
  • Fructose (vruchtensuiker): Fructose komt van nature voor in vruchten en honing.
  • Galactose: Galactose komt niet in de natuur voor. Galactose vervult wel een belangrijke functie. Het is namelijk een bouwsteen voor grotere suikers, zoals melksuiker, ook wel lactose genoemd. Lactose zit onder andere in melkproducten.

Uit deze enkelvoudige koolhydraten zijn de tweevoudige koolhydraten lactose (melksuiker), maltose (moutsuiker) en sacharose (biet- of rietsuiker) opgebouwd. 

Ook zijn uit deze enkelvoudige koolhydraten de meervoudige koolhydraten zetmeel, glycogeen en voedingsvezels opgebouwd. Wanneer twee- of meervoudige koolhydraten met de voeding worden ingenomen, worden deze afgebroken tot enkelvoudige koolhydraten. Dit proces vindt plaats in de dunne darm. Vervolgens worden de enkelvoudige koolhydraten opgenomen in het bloed.

 

Een enkelvoudig koolhydraat is glucose. Glucose is de belangrijkste brandstof van het lichaam. Het koolhydraat zorgt voor energie, waardoor het lichaam kan denken en doen. Voor de hersenen is glucose zelfs de enige bruikbare brandstof. Iedereen heeft glucose – en dus koolhydraten – nodig. Het lichaam ontvangt glucose via de koolhydraten in de voeding. In de dunne darm worden de koolhydraten verteerd tot glucose. Via de darmwand wordt glucose opgenomen in het bloed. In het bloed wordt glucose (bloedglucose) vervoerd naar de cellen. In de cellen wordt glucose omgezet in energie. Om glucose in de cellen te brengen is insuline nodig. Insuline is een hormoon. 

Een hormoon is een stof die een specifieke uitwerking heeft op een specifiek orgaan of weefsel. Insuline wordt aangemaakt in de alvleesklier. De alvleesklier is een belangrijk orgaan. Insuline is de “sleutel” van de “deur” naar de cellen. Zonder insuline blijft de “deur” dicht en kan glucose niet naar de cellen. Glucose blijft dan in het bloed achter. 

De hoeveelheid insuline moet dus zijn afgestemd op de hoeveelheid glucose in het bloed. Anders ontstaat een scheve balans. Deze balans wordt de bloedglucosegehalte of -spiegel genoemd. In de volksmond wordt deze meestal bloedsuikergehalte of –spiegel genoemd. Het bloedsuikergehalte geeft de hoeveelheid suiker in het bloed aan.

 

Wat is diabetes mellitus?

Diabetes mellitus wordt letterlijk vertaald als ‘zoete doorstroming’. De benaming is afkomstig van het Griekse δία/día (door) en βαινω/bainoo (gaan) en het Latijnse mellitus (honingzoet). ‘Doorstroming’ geeft aan dat patiënten veel vocht verliezen en veel drinken. Hierdoor dacht men vroeger dat het lichaam langzaam wegsmolt. ‘Honingzoet’ geeft aan dat patiënten zoete urine hebben. Hierover gaan verschillende verhalen de ronde. Diabetes mellitus wordt in de volksmond suikerziekte of kortweg suiker genoemd. Deze benaming geeft echter een verkeerde indruk van de ziekte. Het woord suikerziekte kan de indruk wekken dat diabetes wordt veroorzaakt door veel suiker eten. Of dat suiker niet meer mag worden gegeten. Dit is niet waar. Suikerziekte is meer dan een probleem met het bloedsuikergehalte. Daarom wordt de term diabetes gebruikt.

Normaal gesproken wordt het bloedglucosegehalte heel precies geregeld met insuline. Bij diabetes mellitus heeft het lichaam moeite om het bloedglucosegehalte op peil te houden. Voor mensen met diabetes werkt insuline niet zoals het zou moeten.

 

Er zijn twee oorzaken waardoor insuline niet goed kan werken:

  • De alvleesklier maakt te weinig of geen insuline. 
  • De alvleesklier maakt voldoende insuline, maar het lichaam reageert er niet goed op.

Glucose kan in beide gevallen niet de cel in. Glucose blijft in het bloed achter. De nieren scheiden een deel van de bloedglucose uit met de urine. Een deel blijft echter in het bloed achter. Het bloedglucosegehalte stijgt. Een hoog bloedglucosegehalte resulteert in lichamelijke klachten. Om het gehalte op peil te houden, dient de voeding te worden aangepast.

 

Diabetes bestaat in verschillende vormen. De vormen lijken op elkaar, maar zijn toch verschillend. De twee belangrijkste vormen zijn:

  • Diabetes mellitus type I: 1 op de 10 mensen met diabetes heeft diabetes type I. Diabetes type I is een auto-immuunziekte. Het eigen afweersysteem is de veroorzaker. Normaal gesproken beschermt het afweersysteem het lichaam tegen schadelijke invloeden van buitenaf. Bij diabetes mellitus type I vergist het afweersysteem zich. Het maakt per ongeluk de cellen die insuline aanmaken kapot.
  • Diabetes mellitus type II: 9 op de 10 mensen met diabetes heeft diabetes type II. Bij diabetes type II kan het lichaam het bloedglucosegehalte niet meer goed regelen. Er is te weinig insuline in het lichaam. Bovendien reageert het lichaam niet meer goed op insuline. Dit wordt ongevoeligheid voor insuline of insulineresistentie genoemd. Zonder insuline kan het lichaam niet voldoende glucose uit het bloed halen.

 

Oorzaken

Er liggen verschillende oorzaken ten grondslag aan diabetes type I en type II. Diabetes type I werd ook wel jeugddiabetes genoemd. Veel patiënten krijgen diabetes type I op jonge leeftijd. Toch kan deze vorm van diabetes ook op latere leeftijd ontstaan. Over het algemeen wordt diabetes type I vóór veertigjarige leeftijd gediagnosticeerd. Diabetes type I begint waarschijnlijk met erfelijke aanleg. De aanleg hoeft niet perse van (groot)ouders afkomstig te zijn. Het kan gewoon toevallig voorkomen. Wanneer iemand aanleg heeft voor diabetes type I, is het nog niet zeker dat iemand het krijgt. De kans op een fout van het afweersysteem is echter groter. 3 op de 100 kinderen van een ouder met diabetes krijgt ook diabetes. En wanneer iemand geen aanleg heeft voor diabetes type I, is het nog niet zeker dat iemand het niet krijgt. 7 op de 100 kinderen van een ouder zonder diabetes krijgt toch diabetes. Naast erfelijke factoren spelen ook andere factoren een rol. De factoren zijn nog niet allemaal bekend, maar worden gezocht in de sfeer van milieufactoren, virussen en voeding. In sommige families komt diabetes type 1 vaak voor. Dan gaat het waarschijnlijk wel om een speciale genetische vorm die wel een sterk erfelijke vorm heeft. De kans op diabetes type I is:

  • 23-50% bij een eeneiige tweelingbroer of –zus;
  • 20-40% bij beide ouders met diabetes;
  • 1-8% bij een broer of zus met diabetes;
  • 1-4% bij een vader of moeder met diabetes;
  • 1-2% bij een neef of nicht met diabetes.

 

Diabetes type II werd ook wel ouderdomsdiabetes genoemd. Inmiddels is deze benaming achterhaald. Tegenwoordig krijgen veel mensen al op jongere leeftijd diabetes type II. Diabetes type II begint vaak met erfelijke aanleg. Wanneer diabetes in de familie voorkomt, is de kans groter om ook diabetes te krijgen. De daadwerkelijke ontwikkeling van diabetes hangt af van leefstijlfactoren. Overgewicht en onvoldoende bewegen vergroten de kans. Andere risicofactoren zijn een ongunstige vetverdeling, roken en te veel verzadigd vet en te weinig onverzadigd vet en vezels eten. Verzadigde vetten zijn de slechte vetten. Onverzadigde vetten zijn de goede vetten. Iemand zonder aanleg, die lange tijd ongezond leeft, kan toch diabetes type II krijgen. Er is ook goed nieuws. 

Zelfs wanneer iemand aanleg heeft, kan de kans op diabetes met de helft worden verkleind door gezond te leven. Toch kan niet iedereen voorkomen dat diabetes tot ontwikkeling komt. Ook dunne mensen die gezond leven kunnen diabetes type II krijgen. Daarnaast vergroot een hogere leeftijd op zich al meer de kans. Nog niet alle oorzaken zijn bekend. Mensen met diabetes in de familie krijgen wel eerder diabetes, wanneer ze te zwaar zijn en te weinig bewegen. Toch krijgt niet iedereen met overgewicht diabetes. De kans op diabetes type II is:

  • 70-90% bij een eeneiige tweelingbroer of –zus;
  • 25-70% bij twee of meer ouders, broers of zussen met diabetes;
  • 20-40% bij beide ouders met diabetes;
  • 10-20% bij een vader of moeder met diabetes.
diabetes mellitusdiabetes mellitus type Idiabetes mellitus type IIsuikerziektealvleesklierinsulinekoolhydratensuikersverzadigd vetonverzadigd vetovergewichtorale antidiabeticabeweginghart- en vaatziekteninsulineresistentieinsulinegevoeligheidstofwisselingsziektehormoonglucosebloedsuikergehaltebloedsuikerspiegelbloedglucosegehalteouderdomsdiabeteshyperglykemiehypoglykemiecholesterolvezels

Symptomen

Veel mensen hebben lange tijd niet door dat ze diabetes hebben. Niet iedereen heeft last van klachten. Veel klachten lijken op dagelijkse strubbelingen zoals futloosheid en vermoeidheid. Door onbehandelde diabetes type I voelen patiënten zich vaak erg ziek. 

In het begin kan het meevallen, maar zelfs dan zijn vaak al duidelijke symptomen aanwezig. Kinderen en volwassenen kunnen het volgende merken van diabetes type I:

  • braken;
  • veel dorst;
  • wazig zien;
  • misselijk zijn;
  • veel plassen;
  • onbedoeld afvallen;
  • beroerd en/of ziek gevoel;
  • veel of juist weinig honger.

Wanneer een of meer van deze symptomen aanwezig zijn, is het verstandig om de huisarts te raadplegen. De huisarts kan eenvoudig vaststellen of sprake is van diabetes.

 

Diabetes type II komt vaker voor, maar is moeilijker te herkennen. Diabetes type II begint zeer langzaam, waardoor het nauwelijks merkbaar is. De klachten zijn veelal vaag, waardoor mensen er niet mee naar de huisarts gaan. Hierdoor komt het voor dat mensen lange tijd rondlopen met diabetes type II zonder het te weten. Mensen kunnen het volgende merken van diabetes type II:

  • veel dorst;
  • veel plassen;
  • vermoeidheid;
  • kortademigheid;
  • slechte wondgenezing;
  • pijn in de benen tijdens het lopen;
  • terugkerende infecties (bijvoorbeeld blaasontsteking);
  • last van de ogen (bijvoorbeeld branderige rode ogen, dubbel zien, slecht zien of wazig zien).

Wanneer een of meer van deze symptomen aanwezig zijn, is het verstandig om de huisarts te raadplegen. De huisarts kan eenvoudig vaststellen of sprake is van diabetes.

Diabetes type I en II kunnen verschillende complicaties uitlokken. Voorbeelden zijn: een grotere gevoeligheid voor infecties, problemen met de ogen en de voeten (diabetische voet), verminderde nierfunctie of zenuwbeschadiging. Bovendien hebben mensen met diabetes meer kans op hart- en vaatziekten. Te allen tijde bestaat de kans op hypers en hypo’s.

 

Hypers en hypo’s

Hyperglykemie en hypoglykemie, kortweg hyper en hypo, zijn verstoringen van het bloedglucosegehalte. Een hyperglykemie is een verhoging van het bloedglucosegehalte (> 10 mmol/l). Een hypoglykemie is een verlaging van het bloedglucosegehalte (< 4 mmol/l). Hypers en hypo’s kunnen vervelende gevolgen hebben. Hieronder wordt meer verteld over de verschillende klachten.

Hyperglykemie:

Een hoog bloedglucosegehalte wordt veroorzaakt door te weinig medicatie innemen, te veel (koolhydraten) eten, te weinig bewegen of stress en ziekte. Hyperglykemie kan de volgende klachten veroorzaken:

  • jeuk;
  • veel dorst;
  • veel honger;
  • veel drinken;
  • veel plassen;
  • vermoeidheid;
  • slechte wondgenezing;
  • terugkerende infecties;
  • onbedoeld gewichtsverlies;
  • verminderd gezichtsvermogen.

De klachten worden niet altijd herkend. Soms zijn de klachten zelfs niet aanwezig, terwijl het bloedglucosegehalte wel hoog is. Het is verstandig om het bloed te controleren, indien er sprake kan zijn van hyperglykemie. Een meting kan plaatsvinden met een bloedglucosemeter. Negeer een hoog bloedglucosegehalte nooit. Aanhoudende hyperglykemie verhoogt de kans op problemen met de ogen en nieren en hart- en vaatziekten. Hyperglykemie kan worden behandeld door de medicatie, voeding- en beweeggewoonten aan te passen. Het is noodzakelijk om contact op te nemen met de huisarts in geval van een zeer hoog bloedglucosegehalte (> 20 mmol/l) of braken.

 

Hypoglykemie:
Een laag bloedglucosegehalte wordt veroorzaakt door te veel medicatie innemen of verandering van medicatie, te weinig eten of verandering van het eetpatroon (maaltijden overslaan of uitstellen), te veel beweging of alcohol drinken. Hypoglykemie kan de volgende klachten veroorzaken:

  • trillen;
  • honger;
  • zweten;
  • hoofdpijn;
  • bleekheid;
  • geeuwen;
  • duizeligheid;
  • verwardheid;
  • vermoeidheid;
  • hartkloppingen.

Het is verstandig om het bloed te controleren, indien er sprake kan zijn van hypoglykemie. Een meting kan plaatsvinden met een bloedglucosemeter. Het is aan te raden om een hypo direct te behandelen en vervelende klachten te voorkomen. Een laag bloedglucosegehalte kan worden behandeld door een koolhydraatrijk voedingsmiddel te eten (bijv. drie druivensuikertabletjes). Blijf niet eten tot het gevoel weg is, maar controleer het bloedglucosegehalte, totdat een normale waarde is bereikt. Het is altijd verstandig om de oorzaak van een hypo te achterhalen. Op die manier kan een volgende hypo worden voorkomen. Het is raadzaam om contact op te nemen met de huisarts, wanneer hypo’s regelmatig terugkeren. Wellicht is het nodig om het dieet of de medicatie aan te passen.

Wanneer een hyper of hypo ernstiger is of langer duurt, bestaat het risico om in coma te raken. Het is dus erg belangrijk om op tijd te handelen.

 

Pseudohypoglykemie:

Hypoglycemische klachten berusten niet altijd op een ‘echte’ hypoglykemie. Sommige mensen hebben langdurig een te hoog bloedglucosegehalte gehad. Na behandeling kan het gehalte normaliseren. Vervolgens kunnen deze mensen hypoglycemische klachten krijgen zonder een bloedglucosegehalte onder de 4 mmol/l te hebben. Dit wordt een pseudohypoglykemie of pseudohypo genoemd. Een pseudohypoglykemie hoeft niet behandeld te worden. Het lichaam hoort gewoonweg te wennen aan een lager bloedglucosegehalte. Het is verstandig om het bloed te controleren om te zien of er sprake is van een pseudohypo. Een meting kan plaatsvinden met een bloedglucosemeter.

 

Diagnose

De huisarts kan de diagnose stellen met behulp van een druppel bloed uit de vinger. De druppel wordt op een bloedglucosemeter gelegd. De bloedglucosemeter meet hoe hoog het glucosegehalte van het bloed is. Het glucosegehalte wordt gemeten in millimol per liter (mmol/l). Deze maat geeft de hoeveelheid glucose per liter bloed aan. In sommige landen wordt een andere maat gebruikt, namelijk milligram per deciliter (mg/dl). Wanneer de waarde hoger dan 11 mmol/l is, wordt de test herhaald. Voorafgaand aan de tweede test mag acht uur lang niets worden gegeten of gedronken. Wanneer de waarde hoger dan 6,0 mmol/l is, wordt de diagnose gesteld. De behandeling van diabetes is gericht op het normaliseren van het bloedglucosegehalte.

 

Behandeling

Diabetes is zoals eerder verteld een chronische aandoening. Diabetes zal dus niet over gaan. Wel zijn er verschillende behandelmethoden die het glucosegehalte van het bloed kunnen verlagen. Het bloedglucosegehalte kan namelijk verlaagd worden met orale antidiabetica en met insuline. Bij diabetes type I kan men alleen insuline gebruiken. Bij diabetes type II wordt vaak gebruik gemaakt van orale antidiabetica. Maar ook kan bij diabetes type II gebruik gemaakt worden van insuline of een combinatie van beiden.

 

Orale antidiabetica

Orale antidiabetica worden via de mond ingenomen in de vorm van een tablet. Orale antidiabetica stimuleren de productie van insuline door de alvleesklier. De alvleesklier is een orgaan dat het bloedsuikergehalte kan regelen. Daarnaast produceert de alvleesklier sappen die er voor zorgen dat het voedsel beter verteerd wordt. Door de productie van insuline kan het bloedsuikergehalte dalen. Tevens kunnen sommige orale antidiabetica de weerstand die het lichaam heeft opgebouwd tegen insuline verminderen. De verschillende soorten orale antidiabetica zijn:

  • Sulfonylurea: Sulfonylurea stimuleert de productie van insuline. Daarnaast worden de lichaamscellen waarschijnlijk gevoeliger voor insuline. Dit middel dient 30 minuten voor de maaltijd genomen te worden. Voorbeelden van sulfonylurea zijn tolbutamide, glipizide, gliquidon en gliclazide.
  • Meglitinides of gliniden: Meglitinides of gliniden verhogen de productie van insuline. Deze middelen werken erg snel en dienen daarom bij of vlak voor de maaltijd te worden ingenomen. Deze middelen werken kort. Een voorbeeld van een meglitinide of glinide is repaglinides.
  • Biguaniden: Biguaniden zorgen er voor dat de insulinegevoeligheid in het lichaam verhoogd wordt. Dit betekent dat het lichaam beter op het hormoon insuline reageert en de bloedsuikerspiegel lager wordt. Tevens vertragen biguaniden de snelheid waarmee glucose wordt opgenomen. Hierdoor zal de bloedsuikerspiegel minder snel stijgen. De opname van glucose bij de spiercellen wordt verbeterd. De vrijstelling van glucose uit glycogeen ter hoogte van de lever wordt vertraagd. Glycogeen is een voorraad van glucose en is opgeslagen in de lever en spieren. Biguaniden dienen tijdens of na de maaltijd ingenomen te worden. Een voorbeeld van een biguanide is metformine.
  • Thiazolidinediones of glitazones: Thiazolidinediones of glitazones verlagen de insulineweerstand bij de spieren, vetweefsel en lever. Hierdoor kan glucose beter worden opgenomen. Deze orale antidiabetica dient men twee keer per dag te nemen. Een voorbeeld van een thiazolidinediones of glitazone is pioglitazone.
  • Glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren: Glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren vertragen de opname van koolhydraten. Door deze vertraagde opname, zal het bloedsuikergehalte minder snel stijgen. Deze orale antidiabetica dient men bij de maaltijd in te nemen. Een voorbeeld van glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitor is acarbose.
  • DPP-4-remmers: DPP-4-remmers bevorderen de afgifte van insuline wanneer de bloedsuikerspiegel te hoog is. Een voorbeeld van een DPP-4-remmer is vildagliptine.

 

Insuline

Insuline zorgt voor verlaging van het bloedglucose. Er wordt voor insuline gekozen wanneer men zelf geen of onvoldoende insuline aanmaakt. Bij diabetes mellitus type I is het toedienen van insuline noodzakelijk. De insuline wordt door middel van een injectie onder de huid gespoten. Na een goede voorlichting van de diabetesverpleegkundige kan de patiënt zelf de insuline injecteren. Er bestaan verschillende soorten insuline:

  • Super kortwerkende insuline: Super kortwerkende insuline dient direct voor of direct na de maaltijd genomen te worden. De insuline werkt voor ongeveer 4 tot 5 uur.
  • Kortwerkende insuline: Kortwerkende insuline verlaagt na ongeveer 10 tot 30 minuten de bloedsuikerspiegel. Deze daling blijft 2 tot 8 uur aanhouden.
  • Middellangwerkende insuline: Middellangwerkende insuline verlaagt na ongeveer 1 tot 2 uur de bloedsuikerspiegel. Deze daling blijft 16 tot 24 uur aanhouden.
  • Langwerkende insuline: Langwerkende insuline werkt gedurende de hele dag wanneer het volgens voorschrift wordt gebruikt.

 

Bovenstaande soorten insuline kunnen met elkaar worden gecombineerd. Dit zorgt voor een optimale werking van insuline en de bloedsuikerspiegel.

De plek waar de insuline wordt ingespoten heeft ook invloed op hoe lang het duurt voordat de insuline gaat werken. Zo doet insuline snel zijn werk wanneer het in de buik wordt geïnjecteerd. Wanneer insuline in de bovenarm wordt geïnjecteerd is de snelheid dat insuline gaat werken normaal. Wanneer insuline in de bil of het bovenbeen wordt geïnjecteerd, duurt het langer voordat insuline werkt.

Insuline kan op verschillende manieren worden toegediend. Zo kan een injectiespuit, insulinepen of insulinepomp worden gebruikt. Bij de injectiespuit en de insulinespuit dient de persoon zelf de insuline toe te dienen. Bij een insulinepomp is dit anders. 

Een insulinepomp geeft namelijk een continue stroom van kortwerkende insuline af. 

Via een slangetje en een naaldje komt de insuline in het lichaam terecht. Van te voren wordt geprogrammeerd hoe snel of langzaam de insulinepomp insuline afgeeft. Zo geeft de insulinepomp vlak voor een maaltijd extra insuline af. En ook voor de nacht past de insulinepomp automatisch het tempo aan waarin de insuline wordt geleverd.

Het voordeel van een insulinepomp is dat men zichzelf niet meer hoeft te injecteren. Tevens is het makkelijker om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden. Wel blijft zelfcontrole belangrijk bij een insulinepomp.

 

Voeding en diabetes mellitus

Voeding kan veel doen bij het reguleren van de bloedglucosegehalte. Voeding kan er namelijk voor zorgen dat schommelingen in het bloedglucosegehalte voorkomen worden. Het is hierbij belangrijk om regelmatig koolhydraten te eten en deze over de dag te verspreiden. Zo kan men drie hoofdmaaltijden nemen en tussen deze maaltijden tussendoortjes. Hierbij is het belangrijk geraffineerde producten zoveel mogelijk te vermijden. Voorbeelden van geraffineerde producten zijn witte pasta, snoep en gebak. Deze producten laten het bloedglucosegehalte namelijk snel stijgen. Beter kan men kiezen voor producten die minder bewerkt zijn, zoals zilvervliesrijst en volkorenpasta. Tevens is het belangrijk om voldoende vezels te eten. Vezels zijn belangrijk omdat zij een gunstige werking hebben op het bloedglucosegehalte. Vezels zorgen er namelijk voor dat het bloedglucosegehalte minder snel stijgt. Ook hebben vezels een positief effect op het cholesterolgehalte. Cholesterol is een vetachtige stof die in het lichaam voorkomt. Vezels zitten bijvoorbeeld in volkoren producten, groente en fruit.

Mensen met diabetes hebben een hoger risico op hart- en vaatziekten dan mensen zonder diabetes. Het is daarom belangrijk gezond te eten. Met name dient hier op het verzadigde vet gelet te worden. Verzadigd vet wordt ook wel het slechte vet genoemd. Verzadigd vet is niet vloeibaar bij kamertemperatuur. Deze verzadigde vetten verhogen het cholesterolgehalte in het bloed. Het cholesterol kan onderverdeeld worden in het goede cholesterol (HDL cholesterol) en het slechte cholesterol (LDL) cholesterol. Verzadigde vetten verhogen het slechte cholesterol. Het slechte cholesterol kan blijven plakken in de wanden van de bloedvaten en deze beschadigen. Hierdoor kunnen de bloedvaten zich vernauwen. Dit kan onder andere leiden tot een verhoogde bloeddruk. Beter kan men verzadigde vetten vervangen voor onverzadigde vetten. Onverzadigde vetten worden ook wel de goede vetten genoemd. Onverzadigde vetten zijn wel vloeibaar bij kamertemperatuur. Onverzadigde vetten zorgen er voor dat het slechte cholesterol daalt en hebben dus een positief effect op de bloedvaten.

 

Een gezond gewicht is ook belangrijk bij diabetes. Wanneer men een paar kilo van zijn overgewicht verliest, kan dit al een positief effect hebben. Het bloedglucosegehalte kan hierdoor namelijk verbeteren. Wanneer er nog geen sprake is van diabetes type II, kan gezond leven en een gezond gewicht diabetes type II voorkomen. Maar daarnaast wordt ook de kans op andere aandoeningen en ziekten verlaagd, zoals hart- en vaatziekten.

Ook dient op het gebruik van alcohol gelet te worden. Alcohol kan niet gebruikt worden in combinatie met bepaalde medicijnen. Alcohol heeft een bloedglucoseverlagend effect. Het kan echter enkele uren duren voordat het bloedglucose daalt. Wanneer men alcohol wil drinken, is het daarom belangrijk dit bij een maaltijd te doen. Hierdoor wordt het bloedglucoseverlagende effect van alcohol beperkt. Omdat het bloedglucoseverlagende effect enige tijd kan aanhouden, is het belangrijk het bloedglucosegehalte te controleren. Het controleren van het bloedglucosegehalte dient men ook te doen voordat men gaat slapen.

Andere factoren kunnen juist een bloedglucoseverhogend effect hebben. Voorbeelden van factoren die het bloedglucosegehalte kunnen verhogen zijn stress, koorts en zwangerschap. Ook bepaalde geneesmiddelen kunnen het bloedglucosegehalte verhogen. Voorbeelden van medicijnen die het bloedglucosegehalte kunnen verhogen zijn de anticonceptiepil en diuretica. Niet alleen is een gezonde voeding belangrijk bij diabetes. Ook stoppen met roken is belangrijk. Roken zorgt er namelijk voor dat men meer kans heeft op complicaties zoals slechter zien en problemen met de nieren. Roken beschadigt namelijk de bloedvaten en zorgt er voor dat de bloedvaten zich vernauwen. Het risico op hart- en vaatziekten wordt hierdoor hoger.

 

Beweging en diabetes mellitus

Wanneer voldoende en regelmatig wordt bewogen, is het makkelijker om de bloedglucosespiegel stabiel te houden. Hierdoor zal men zich niet alleen lichamelijk beter voelen, maar ook geestelijk. Daarnaast wordt de kans op complicaties ten gevolge van diabetes mellitus kleiner. Een andere mooie bijkomstigheid is dat door beweging vaak minder geneesmiddelen gebruikt hoeven te worden en complicaties voorkomen kunnen worden. Door beweging neemt namelijk de insulinegevoeligheid toe. Beweging heeft ook een positief effect op de bloeddruk, het lichaamsgewicht, het vetpercentage en het cholesterolgehalte.

Het is belangrijk de beweging op te bouwen, zodat het lichaam hier aan kan wennen. Sporten kan er echter wel voor zorgen dat het bloedglucosegehalte daalt. Hier dient rekening mee gehouden te worden. Men kan bijvoorbeeld na het sporten het bloedglucosegehalte controleren en wanneer nodig wat eten. Wanneer men lange tijd achter elkaar sport, kan men tussen het sporten door het bloedglucosegehalte controleren. Ook dient de medicatie afgestemd te worden op beweging.

 

Onderzoek

  • Volgens onderzoek verlaagt het drinken van zwarte thee de kans op diabetes type 2. Gegevens van 50 landen werden geanalyseerd. Het aantal mensen met diabetes was het laagst in landen waar veel zwarte thee werd gedronken. De meeste zwarte thee werd gedronken In Ierland, Turkije en het Verenigd Koninkrijk. Meer onderzoek is nodig om het effect van zwarte thee te bevestigen. 
  • Een magnesiumtekort beïnvloedt de insulineresistentie van het lichaam. Het vormt een risicofactor voor diabetes type 2 en zwangerschapsdiabetes. Het is onduidelijk of magnesium een rol speelt bij het ontstaan of de verdere ontwikkeling van diabetes. Volgens dertien onafhankelijke onderzoeken hebben mensen die meer magnesium innemen minder vaak diabetes type 2.

 

Externe informatie of producten

We zijn extern onderstaande boeken en producten, betreffende diabetes mellitus, voor u tegengekomen:

  • Diabetes De Baas. Auteur Reader's Digest, Nederlands, 288 pagina's. U leert hoe diabetes door regelmatig bewegen en een aangepast voedingspatroon een halt kan worden toegeroepen. En u leest alles over de nieuwste manieren van testen, medicijnen en hulpmiddelen.
  • Bitterzoet, Omgaan Met Diabetes. Auteur Jet van Eeghen, Nederlands, 128 pagina's. Antwoord op de vraag 'hoe kun je diabetes een plaats geven in je leven?' Dit antwoord wordt uitgesplitst in dertien hoofdstukken. Ingedeeld in ruim tweehonderd vragen met recht-toe-recht-aan zakelijke en duidelijke antwoorden.
  • De meest gestelde vragen over Diabetes en zelfcontrole. Auteur Gillian Kreugel, Nederlands, 80 pagina's. Een klein, handzaam boekje met daarin alles op een rijtje betreffende het meten van het bloedglucosegehalte. Handig voor diabetespatiënten, hun omgeving en hulpverleners zoals praktijkondersteuners en huisartsen.
  • Let op, suiker!, omgaan met diabetes. Auteur Mimi Van Meir, Nederlands, 144 pagina's. Het leert je hoe je met juiste voedingskeuzes jouw bloedsuikerwaarden onder controle kunt houden. Naast een heldere wetenschappelijke toelichting krijg je massa's handige tips en meer dan vijftig heerlijke recepten met aanduiding van calorieën en koolhydraat ruilwaarden.
  • De diabetes survivalgids. Auteur Luc Descamps, Nederlands, 143 pagina's. In deze survivalgids wordt diabetes bij kinderen behandeld. Het boek is tot stand gekomen in samenwerking met de Vlaamse Diabetes Vereniging en geschreven door een in Vlaanderen bekende jeugdboekenschrijver.
  • Geneesmiddelen, gezondheidsproducten en hulpmiddelen betreffende diabetes bij u thuisbezorgd. Europees goedgekeurde producten door apotheek of drogist geleverd. Een eventueel benodigde recept wordt, indien passend, na een online artsconsult verstrekt.
  • Het Albert Heijn suikerbewuste assortiment, ook digitaal te bestellen.
  • Diabetes thuistest, geen recept benodigd.
  • Glucose multicheck, meet zowel uw glucose gehalte als cholesterol

 

Weten hoe?

Uitgeschreven voedingsadvies en/of individuele begeleiding (consulten) door onze diëtisten kunt u eenvoudig via onderstaande 'volg onze suggestie' bestellen. De uitgeschreven adviezen zijn alleen geschikt voor volwassenen van 18 t/m 70 jaar, de consulten zijn er voor elke leeftijd.

In verband met de nauwlettende begeleiding omtrent insuline en sommige medicijnen, begeleid en behandeld DietCetera alleen mensen zonder specifiek Diabetes type II medicijn (waaronder insuline injecties) met uitzondering van het frequent gebruikte Metformine wat wel goed past in onze adviezen.

Bestel suggestie
CategorieDienstPrijs
IntakeRegistratieGratis
IntakeVragenlijst op maatGratis
IntakeVoedingsdagboekGratis
IntakePersoonlijke analyse (30 min.)29,95
AdviesVoedingsadvies9,95
Begeleiding4 consulten van 15 minuten54,95
Totaal€ 94,85

Disclaimer voedingsdoelen

DietCetera geeft u met bovenstaande tekst slechts algemene informatie. Wij hebben deze tekst niet gericht op individuele personen en omstandigheden. Vanzelfsprekend hebben we wel getracht deze informatie zo duidelijk en correct mogelijk te omschrijven. U blijft echter zelf verantwoordelijk voor uw eigen keuzes en interpretaties. Mocht u specifieke vragen of problemen hebben dan adviseren we u contact op te nemen met uw (huis)arts, diëtist (zoals via DietCetera) of andere deskundigen. DietCetera is niet aansprakelijk voor eventuele schade ten gevolge van het onjuist interpreteren van deze tekst.

 

Vorige

top