Brede diëtisten informatie over voedingsdoelen

Leukemie

Het is bekend dat een gezond gewicht en een gezonde voeding het risico op kanker verkleint. Wanneer men kanker heeft, is gezonde voeding ook erg belangrijk om voor een zo goed mogelijke voedingstoestand te zorgen.

Kanker is een verzamelnaam voor meer dan honderd verschillende ziekten. Iedere kanker verschilt, zo ook het ontstaan van elke soort. Alle kankersoorten worden gekenmerkt door een ontregelde, ongeremde deling van lichaamscellen. Een cel is de kleinste bouwsteen waaruit alle levende wezens (mensen, dieren en planten) zijn opgebouwd. Het volwassen lichaam bestaat uit vele miljarden cellen. Deze cellen vormen samen weefsels, spieren, organen, botten en een deel van het bloed. Cellen zijn niet zichtbaar met het blote oog en hebben meer dan honderd verschillende taken. Voortdurend worden er nieuwe cellen gemaakt ter vervanging van oude cellen, voor groei of herstel. Voor elke cel ligt vast wanneer deze aan vervanging toe is. Vervanging gebeurt automatisch door middel van celdeling. Hierbij maakt een oude cel een exacte kopie van zichzelf, waarbij de oude cel wordt vernietigd.

Bij de miljoenen celdelingen per dag gaat er wel eens iets mis. De kern van de cel zorgt gewoonlijk voor een gecontroleerde celdood (apoptose) en de celdeling. Met een celdood sterft de cel, dit gebeurt normaliter als de cel beschadigd of te oud is. Dat betekent het einde van een cel. DNA schade kan voor ongeremde celdeling zorgen, de nuttige functie wordt dan niet meer vervuld. DNA komt voor in elke cel en bevat de erfelijke eigenschappen van ons lichaam, zoals de bloedgroep en de kleur van de ogen. Door voortplanting wordt het DNA doorgegeven aan het nageslacht. De foutjes komen vaker voor, maar worden gewoonlijk door het lichaam vlug gerepareerd of de foute cellen worden vernietigd. Wanneer dit niet of onvoldoende gebeurt, ontstaat er een ongeremde deling van lichaamscellen. Ongeremde ongecontroleerde celdeling uit zich in een gezwel of tumor. In de medische wereld ook wel nieuwvorming of carcinoom genoemd. Een verkeerd voedingspatroon kan het risico op kanker vergroten. Terwijl juist een gezond en gevarieerd voedingspatroon het risico op kanker kan verkleinen.

 

Vaak wordt kanker een ziekte van de moderne tijd, een welvaartsziekte genoemd. De welvaart zorgt wel voor meer ziektegevallen door ongezonde leefpatronen. Kanker is echter geen welvaartsziekte. Waarschijnlijk kwam kanker al miljoenen jaren geleden voor bij dinosauriërs, blijkt uit onderzoeken. Bij de mens waren het de oude Egyptenaren die begonnen met het beschrijven van symptomen die op kanker leken. Het woord kanker is pas later ontstaan, afkomstig van de Griekse arts Hippocrates. Hij leefde ongeveer 25 eeuwen geleden. Hij beschreef al eerst gezwellen bij karkinos (kreeft) waar hij het heeft over karcinoma (kreeftgezwel). Later wordt dit via het Latijn cancer en carcinoma, Engels voor kanker en carcinoom.

 

Leukemie

Leukemie is een verzamelnaam voor verschillende vormen van bloedkanker. Bij leukemie worden bepaalde witte bloedcellen ongecontroleerd gedeeld. In tegenstelling tot normale bloedcellen, rijpen deze witte bloedcellen niet tijdig uit tot volwassen normale cellen. Deze witte bloedcellen hebben een negatieve invloed op de werking van andere normale bloedcellen. Hierdoor raakt de werking van de normale bloedcellen verstoord. Leukemie komt in chronische of acute vorm voor. Chronisch betekent het langdurig bestaan van een ziekte. Met acuut wordt het plotseling ontstaan van een ziekte bedoeld.

 

Het bloed

Het bloed bestaat uit een aantal onderdelen. Het bloed bestaat uit rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en bloedplasma. De bloedcellen en de bloedplaatjes worden gemaakt in het beenmerg. Beenmerg bevindt zich in een aantal botten van het lichaam. Het heupbot en het borstbeen zijn hier voorbeelden van. Beenmerg is een sponsachtig weefsel. In het beenmerg bevinden zich stamcellen. De stamcellen worden onder invloed van hormonen tot rode bloedcellen, witte bloedcellen of bloedplaatjes gedeeld. Hormonen zijn controlestoffen die processen in het lichaam stimuleren of afremmen. Rode bloedcellen transporten zuurstof in het lichaam. Op deze manier krijgen alle onderdelen van het lichaam zuurstof. Zuurstof is nodig om te blijven functioneren. Ongeveer 45% van het bloed bestaat uit rode bloedcellen. Witte bloedcellen zorgen ervoor dat het lichaam beschermd wordt tegen ziekteverwekkers. 0.1% van het bloed wordt door witte bloedcellen gevormd. Bloedplaatjes hebben de functie om wondjes in en op het lichaam te dichten. Wondjes dienen gedicht te worden om bloedverlies tegen te gaan. In een korstje op de wond zitten gestolde bloedplaatjes met rode bloedcellen en een aantal witte bloedcellen. De witte bloedcellen zitten in een korstje om ziekteverwekkers tegen te houden. Het bloed bestaat voor 55% uit bloedplasma. Bloedplasma bestaat voor het grootste gedeelte uit water. Daarnaast zit er in bloedplasma voedingsstoffen voor de cellen.

 

Witte bloedcellen

Witte bloedcellen zijn een onderdeel van het afweersysteem. Het afweersysteem wordt ook het immuunsysteem of weerstand genoemd. Hiermee beschermen de witte bloedcellen het lichaam tegen ziekteverwekkers. In het beenmerg kunnen verschillende soorten witte bloedcellen gemaakt worden:

  • Neutrofielen: Ongeveer 50 tot 70% van alle witte bloedcellen zijn neutrofielen. Neutrofielen zorgen voor de eerste afweer tegen een bacteriële infectie. Een bacteriële infectie is de besmetting van het lichaam met een ziekteverwekker, waardoor een ziekte ontstaat.
  • Lymfocyten: In het bloed komen lymfocyten samen met de neutrofielen het meeste voor. Van de witte bloedcellen zijn ongeveer 20 tot 40% lymfocyten. Lymfocyten helpen bij een specifiek immuunrespons. Met specifiek immuunrespons wordt gerichte afweer tegen ziekteverwekkers bedoeld. Samen met de geïnfecteerde cellen zorgen de lymfocyten ervoor dat de ziekteverwekker wordt opgeruimd en vernietigd.
  • Monocyten: Monocyten vervullen een speciale functie in het lichaam. Ongeveer 3 tot 6% van de witte bloedcellen zijn monocyten. Monocyten beheren het ‘geheugen’ van het afweersysteem. Wanneer een ziekteverwekker voor de tweede keer in het lichaam terecht komt, komen de monocyten in actie. De monocyten zorgen ervoor dat de andere lymfocyten weten om welke ziekteverwekker het gaat. Bij een herhaalde ziekteverwerker, kan het afweersysteem sneller en gerichter de ziekte vernietigen. Hierdoor wordt de infectie eerder uit het lichaam verwijderd en is het verloop van ziekte korter.
  • Eosinofielen: Ongeveer 2 tot 55% van de witte bloedcellen zijn eosinofielen. Wanneer er sprake is van een parasitaire infectie, zijn er meer eosinofielen te vinden in het bloed. Een parasitaire infectie wordt veroorzaakt door een parasiet. Een parasiet is een klein levend wezen dat het lichaam ziek maakt. Voorbeelden van parasieten zijn luizen, vlooien of wormen.
  • Basofielen: Basofielen komen in kleine aantallen (minder dan 1%) in het bloed voor. Een basofiel is verantwoordelijk voor een allergische reactie, bijvoorbeeld een kattenallergie. Wanneer de allergische stof in het lichaam komt, reageert de basofiel op de allergische stof. Tijdens het contact met de allergische stof, maakt het basofiel histamine. Histamine is een stof die voor de allergische klachten zorgt, zoals niezen of jeukende ogen.
  • Macrofagen: Macrofagen zijn eigenlijk monocyten. De monocyten worden macrofagen genoemd wanneer de monocyten de bloedbaan hebben verlaten. De macrofagen bevinden zich in weefsels of organen. Weefsels zijn cellen met eenzelfde functie in het lichaam.

 

Acute leukemie

Acute leukemie komt in twee soorten voor, namelijk Acute Myeloïde Leukemie (AML) en Acute lymfatische leukemie (ALL). Bij Acute Myeloïde Leukemie vindt er een overproductie van de onrijpe witte bloedcellen (myeloblasten) plaats. Deze cellen hopen zich op in het beenmerg en verstoren de aanmaak van normale bloedcellen. Door deze verstoring ontstaat er een tekort aan rode bloedcellen, normale witte bloedcellen en bloedplaatjes. Als gevolg kan er bloedarmoede (tekort aan rode bloedcellen) en een verhoogde kans op bloedingen ontstaan. Bovendien wordt de vatbaarheid voor infecties verhoogd door een tekort aan leukocyten. Jaarlijks krijgen in Nederland ongeveer 600 mensen Acute Myeloïde Leukemie. De ziekte kan op elke leeftijd ontstaan. AML komt echter vaker voor bij volwassenen (vanaf 60 jaar). Tevens komt AML vaker bij mannen voor dan bij vrouwen.

Bij Acute lymfatische leukemie vindt er een overproductie van bepaalde soorten lymfocyten plaats. Deze soorten worden lymfoblasten genoemd. Net als bij AML verstoren de lymfoblasten de aanmaak van normale bloedcellen. Door deze verstoring ontstaat er een tekort aan rode bloedcellen, normale witte bloedcellen en bloedplaatjes. Als gevolg kan er bloedarmoede (tekort aan rode bloedcellen) en een verhoogde kans op bloedingen ontstaan. Bovendien wordt de vatbaarheid voor infecties verhoogd door een tekort aan leukocyten. Elk jaar krijgen in Nederland ongeveer 200 mensen Acute lymfatische leukemie. ALL kan op elke leeftijd ontstaan. Toch, komt ALL het meeste (60 %) voor bij kinderen tot 14 jaar. ALL wordt vaker bij mannen dan bij vrouwen geconstateerd. In de meeste gevallen zijn de oorzaken van ALL onbekend.

 

Symptomen acute leukemie

De symptomen die bij AML en ALL voorkomen zijn niet uniek en komen ook bij veel andere bloedkankers voor. Deze symptomen zijn onder andere:

  • Bloedarmoede: Bloedarmoede ontstaat als gevolg van een gebrek aan rode bloedcellen, waardoor vermoeidheid, duizeligheid, bleekheid of kortademigheid bij lichamelijke activiteiten optreden.
  • Infecties: Door het gebrek aan normale witte bloedcellen (vooral neutrofielen), komen frequente of terugkerende infecties vaak voor. Hierdoor genezen ziektes langzamer.
  • Bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken: De kans op bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken is groter. De reden hiervoor is dat een zeer laag aantal bloedplaatjes in het bloed aanwezig is.
  • Andere symptomen: Bij AML kunnen ook andere symptomen voorkomen. Deze zijn: botpijn, gezwollen lymfeklieren, gezwollen tandvlees en pijn op de borst. Lymfeklieren bestaan uit vele witte bloedcellen die gerangschikt zitten in een omhulsel.

 

Oorzaak acute leukemie

In de meeste gevallen is de oorzaak van AML en ALL onbekend. Wel zijn er enkele factoren bekend die mogelijk verband houden met het ontstaan van acute leukemie. Deze factoren zijn onder andere:

  • Chemische stoffen: Als er vaak blootstelling aan bepaalde chemische stoffen (bijvoorbeeld benzeen) plaatsvindt, is er een groter risico voor acute leukemie. Bij ALM is dit verband minder duidelijk.
  • Bestraling en chemotherapie: Bij een klein percentage van de patiënten die vanwege een andere soort kanker behandeld worden met bestraling of bepaalde cytostatica (chemotherapie), komt acute leukemie vaker voor.
  • Myelodysplastisch syndroom: Sommige patiënten met een myelodysplastisch syndroom hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van acute myeloïde leukemie. Myelodysplastisch syndroom is een verzamelnaam voor een groep van beenmergstoornissen, waarbij de productie van bloedcellen ernstig verstoord is.
  • Erfelijke aandoeningen: Bepaalde erfelijke aandoeningen zoals het Syndroom van Down en Fanconi anemie, hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van beide vormen van acute leukemie. Syndroom van Down is een aangeboren afwijking die gepaard gaat met verstandelijke beperking. Fanconi anemie is een aangeboren erfelijke ziekte.
  • Virussen en infecties: Bepaalde virussen, infecties en daarop volgende reacties van het immuunsysteem spelen een rol bij het ontwikkelen van acute lymfatische leukemie.

 

Diagnose acute leukemie

De diagnose van beide soorten acute leukemie worden op dezelfde manier uitgevoerd. De diagnose bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Anamnese: Bij een anamnese stelt een arts de patiënt gerichte vragen met betrekking tot afkomst, leeftijd, beroep, sociale contacten, gewicht, lengte en een beschrijving van de klachten. Ook wordt er informatie verzameld over de verre reizen die de patiënt recent heeft ondernomen.
  • Lichamelijk onderzoek: Tijdens een lichamelijk onderzoek wordt de functie van verschillende organen gecontroleerd. Bovendien wordt naar eventuele ziektegeschiedenis van ouders, grootouders, broers, zussen en eerder doorgemaakte ziekten (allergieën en verslavingen) gevraagd.
  • Voedingspatroon: Er wordt naar de eetwijze van de patiënt gevraagd. Ook worden er vragen gesteld over de voedingsmiddelen die worden gebruikt.
  • Laboratoriumonderzoek: Het laboratoriumonderzoek bestaat uit een volledig bloedbeeld. Bij een volledig bloedbeeld worden de verschillende onderdelen van het bloed bekeken en beoordeeld.
  • Beenmergonderzoek: Bij een beenmergonderzoek wordt onder plaatselijke verdoving aan de achterzijde van het bekken een bepaalde hoeveelheid beenmerg opgezogen. Het beenmerg wordt onder de microscoop onderzocht. Normaal gesproken vormen voorlopercellen (blasten) slechts een klein gedeelte (minder dan 5%) van de cellen in het beenmerg. Bij ALL en AML zal het percentage hoger dan 20% zijn. Bovendien wordt het uiterlijk van de abnormale voorlopercellen beoordeeld.
  • Cytogenetische analyse: Bij een cytogenetische analyse worden de cellen in het beenmergmonster onderzocht op afwijkingen. Vooral wordt er aandacht aan chromosoomafwijkingen besteed. Een chromosoom is een staafachtig stof in de celkern dat drager van erfelijke eigenschappen is.
acute leukemiebloedkankervoedingstamceltransplantatiebeenmergtransplantatiekankerbloedkankerPhiladelphia-chromosoomblasteninfectiesbloedingenbloedarmoedeleukocytoseacute leukemiechronische leukemiechemotherapie

Behandeling acute leukemie

De ontwikkeling van ALL gaat snel. Hierdoor dient de behandeling kort na de diagnose te beginnen. De keuze voor de behandeling is afhankelijk van het type ALL, het chromosoom afwijkingen, de leeftijd en de algemene gezondheid van de patiënt. De behandeling vindt meestal volgens een aangepast behandelplan (protocol) plaats. Het aangepaste behandelplan is vooral afhankelijk van de kans dat de ziekte terugkomt (recidief). De behandeling kan twee tot drie jaar en soms langer duren. De tijdsperiode van behandeling is afhankelijk van de reactie van de patiënt op de behandeling. De totale behandeling bestaat uit drie fasen:

  • Inductiefase: De eerste fase wordt de inductiefase genoemd. De eerste fase bestaat uit een kuur met prednison en leukemie dodende geneesmiddelen (chemotherapie en cytostatica). Prednison bevat een stof (corticosteroïden) dat diverse lichamelijke reacties bij leukemie onderdrukt. Vooral lymfoblasten zijn erg gevoelig voor corticosteroïden. De bedoeling van de inductiefase is om leukemiecellen te doden. Als dit lukt, zijn er geen leukemiecellen meer zichtbaar in het beenmerg en de normale bloedcellen herstellen weer volledig.
  • Consolidatiefase: In de consolidatiefase wordt er geprobeerd om het bereikte resultaat in stand te houden. Deze fase bestaat uit een of enkele chemotherapiekuren. Tevens kan een beenmergtransplantatie in deze fase plaatsvinden. Bij een beenmergtransplantatie worden de ongezonde of vernietigde beenmergcellen vervangen door normale, gezonde beenmergcellen van de patiënt zelf of van een geschikte donor.
  • Onderhoudsbehandeling fase: Deze fase is voor de patiënten bedoeld die geen beenmergtransplantatie hebben gehad. Het doel van deze fase is om alle eventueel overgebleven leukemiecellen te doden die in de eerste twee fasen niet zijn gedood. Deze fase duurt meer dan een jaar.

 

AML ontwikkelt zich snel en hierdoor wordt kort na de diagnose met behandeling begonnen. De keuze voor de behandeling hangt af van factoren als type van AML, het chromosoom afwijkingen, de leeftijd en de algemene gezondheid van de patiënt. Er wordt veel onderzoek gedaan naar nieuwe vormen van behandeling. Patiënten worden bij voorkeur in studieverband behandeld. Een benadeling in studieverband betekent dat er onderzoeken worden verricht voor het ontwikkelen van betere methodes om ziekten te genezen of te behandelen. De standaardbehandeling is als volgt:

  • Patiënten jonger dan 60 jaar: Voor de behandeling van patiënten jonger dan 60 jaar, worden twee chemotherapiekuren toegepast. Het doel van deze behandeling is het vernietigen van de leukemiecellen in het bloed en beenmerg. Er wordt getracht om deze toestand zo lang mogelijk te behouden en de productie en aantallen van de normale bloedcellen te herstellen. Na het bereiken van het doel wordt er een derde kuur toegepast, zodat er minder kans is op de terugkomst van de ziekte.
  • Patiënten ouder dan 60 jaar: Patiënten ouder dan 60 jaar krijgen twee kuren chemotherapie. Bij deze behandeling worden verschillende leukemie dodende geneesmiddelen toegediend. Hierbij is het belangrijk dat abnormale cellen vernietigd worden en normale cellen herstellen. Momenteel wordt er onderzocht of een beenmergtransplantatie effectief is op oudere leeftijd.

Er is geen standaardbehandeling voor de terugkerende ziekte. Als er eerder een goede reactie op leukemie dodende middelen waren, kunnen deze weer toegepast worden. Hierbij is het belangrijk dat de patiënt een goede hartfunctie heeft. Tevens kan er van een beenmergtransplantatie gebruikt worden. Deze methode wordt bij patiënten toegepast, die het niet eerder hebben gehad. Voor deze transplantatie is het belangrijk om aandacht te besteden aan het type ziekte, de beschikbaarheid van een donor, de leeftijd van de patiënt, de algemene gezondheid en de voorkeuren van de patiënt. Ondanks deze behandelingen, is er geen garantie dat de ziekte nooit meer terug kan keren.

 

Chronische leukemie

Chronische leukemie komt in twee soorten voor, namelijk Chronisch Myeloide Leukemie (CML) en Chronisch Lymfatische Leukemie (CLL). Bij Chronisch Myeloide Leukemie is er een overproductie van de onrijpe witte bloedcellen (Granulocyten). Deze cellen hopen zich op in het beenmerg en verstoren de aanmaak van normale bloedcellen. Door deze verstoring ontstaat er een tekort aan rode bloedcellen, normale witte bloedcellen en bloedplaatjes. Als gevolg kan er bloedarmoede (tekort aan rode bloedcellen) en een verhoogde kans op bloedingen ontstaan. Chronische Myelogene Leukemie kent drie fasen afhankelijk van het aantal blasten in het bloed, in het beenmerg en de ernst van de symptomen. Deze fasen zijn als volgt:

  • Chronische fase: Bij de chronische fase zijn er minder dan 10% leukemische blastcellen (blasten) in het bloed aanwezig.
  • Acceleratie fase: Bij de acceleratie fase zijn er ongeveer 10 – 19% blasten in het bloed aanwezig. De Acceleratie fase is de overgangsfase tussen chronische en blastaire fase.
  • Blastaire fase: Bij de blastaire fase zijn er 20% of meer van de cellen in het bloed of beenmerg, blasten, aanwezig.

 

In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 500 mensen CML. De ziekte kan op elke leeftijd ontstaan. Echter, CML komt vaker voor bij volwassenen (vanaf 50 jaar) en vaker bij mannen dan bij vrouwen. Bij kinderen komt CML zelden voor.

Bij Chronische Lymfatische Leukemie is er een sterke toename van een type kwaadaardige witte bloedcel (B-lymfocyten). Deze abnormale cellen hopen zich op in het bloed, in het beenmerg, de lymfeklieren, milt en lever. De milt is een orgaan in de buikholte en is betrokken bij het afweersysteem. De lever is een orgaan met bloedzuiverende functie.

CLL is de meest voorkomende vorm van leukemie in de westerse wereld. In Nederland wordt CLL ieder jaar bij 600 tot 700 patiënten vastgesteld. CLL komt vooral bij mannen ouder dan 60 voor, maar het kan op iedere leeftijd ontstaan. De vooruitzichten bij CLL zijn afhankelijk van een aantal factoren:

  • Vordering ziekte: Er wordt vastgelegd in welke stadium CLL zich bevindt. Hierbij kan bepaald worden tot welke mate een patiënt risico loopt en in hoeverre de ziekte in het lichaam verspreid is. Bovendien kan er bepaald worden hoe groot de overlevingskans van een patiënt is.
  • Lymfocyten verdubbelingstijd: Hierbij wordt gekeken met welke snelheid de lymfocyten zich verdubbelen. De verdubbelingstijd van lymfocyten in het bloed heeft een verband met de overlevingskans van de patiënt.
  • Chromosoomafwijkingen: Bij CLL kunnen zich chromosoomafwijkingen voordoen.

 

Symptomen chronische leukemie

CML is een ziekte die zich langzaam ontwikkelt. Hierdoor hebben veel mensen lange tijd geen symptomen. Meestal wordt het toevallig tijdens een bloedonderzoek ontdekt. De symptomen die bij CML ontstaan zijn onder andere:

  • Bloedarmoede: Bloedarmoede ontstaat als gevolg van een gebrek aan rode bloedcellen, waardoor vermoeidheid, duizeligheid, bleekheid of kortademigheid bij lichamelijke activiteiten optreden.
  • Bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken: De kans op bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken wordt verhoogd. De reden hiervoor is dat een zeer laag aantal bloedplaatjes in het bloed aanwezig is.
  • Ongemak: Meestal wordt er ongemak veroorzaakt door een gezwollen milt en pijn in de botten.
  • Andere symptomen: Bij CML kunnen ook andere symptomen voorkomen. Deze zijn onverklaard gewichtsverlies en overmatig (nachtelijk) zweten.

 

CLL kan een zeer rustig beloop hebben. 40% van de patiënten heeft gedurende langere tijd geen symptomen. De volgende symptomen kunnen bij CLL voorkomen:

  • Vergrote lymfeklieren: Lymfeklieren worden vergroot, maar meestal wordt er geen pijn gevoeld. Vaak komt het op meerdere plaatsen voor, bijvoorbeeld in hals, oksels, liezen, borstholte en buik.
  • Vergrote lever en milt: De lever en milt kunnen vergroot worden en ongemak veroorzaken.
  • Bloedarmoede: Bloedarmoede ontstaat als gevolg van een gebrek aan rode bloedcellen, waardoor vermoeidheid, duizeligheid, bleekheid of kortademigheid bij lichamelijke activiteiten op kan treden.
  • Herhaaldelijke infecties: Door een tekort aan normale witte bloedcellen en verlaging van de antistoffen, komen infecties vaak voor. Een antistof speelt een belangrijke rol in de afweer tegen ziekteverwekkers en sommige soorten gifstoffen.

 

Oorzaak chronische leukemie

De oorzaak van CML is niet helemaal duidelijk. Wel zijn er aanwijzingen:

  • Philadelphiachromosoom: Bij de meeste patiënten met CML wordt het zogenaamde Philadelphiachromosoom gevonden. Dit chromosoom leidt tot de productie van abnormale eiwitten in het lichaam. Deze eiwitten zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van CML. Eiwitten zijn de bouwstenen voor het lichaam.
  • Radioactieve straling: CML komt meer voor bij mensen die aan radioactieve straling zijn blootgesteld.

 

De oorzaak van CLL is tot op heden niet helemaal duidelijk. Er zijn een paar factoren die de kans op de ziekte kunnen vergroten:

  • Erfelijke factoren: Erfelijke factoren lijken wel een rol te spelen. De ziekte komt namelijk voor bij blanke mensen en maar zelden bij Oost-Aziaten. Bovendien komt CLL binnen bepaalde families voor. Hierbij ontstaat de ziekte bij opeenvolgende generaties op steeds jongere leeftijd.
  • Apoptose: De deling van leukemiecellen vindt waarschijnlijk in zogenaamde groeicentra in lymfeklieren en beenmerg plaats. Op deze plekken wordt de groei van CLL cellen gestimuleerd. Tevens wordt de apoptose geremd. Apoptose is een natuurlijk proces dat leidt tot het afsterven van cellen die een afwijking vertonen en daardoor niet meer goed functioneren.

 

Diagnose chronische leukemie

De diagnose van beide soorten acute leukemie wordt op dezelfde manier uitgevoerd. De diagnose bestaat uit volgende onderdelen:

  • Anamnese: Bij een anamnese stelt een arts de patiënt gerichte vragen met betrekking tot afkomst, leeftijd, beroep, sociale contacten, gewicht, lengte en een beschrijving van de klachten. Ook wordt er informatie verzameld over de verre reizen die de patiënt recent heeft ondernomen.
  • Lichamelijk onderzoek: Tijdens een lichamelijk onderzoek wordt de functie van verschillende organen gecontroleerd. Bovendien wordt naar de eventuele ziektegeschiedenis van ouders, grootouders, broers, zussen en eerder doorgemaakte ziekten (allergieën en verslavingen) gevraagd.
  • Voedingspatroon: Er wordt naar de eetwijze van de patiënt gevraagd. Ook worden er vragen gesteld over de voedingsmiddelen die iemand gebruikt.
  • Laboratoriumonderzoek: Het laboratoriumonderzoek bestaat uit een volledig bloedbeeld. Bij een volledig bloedbeeld worden de verschillende onderdelen van het bloed bekeken en beoordeeld.
  • Beenmergonderzoek: Bij een beenmergonderzoek wordt onder plaatselijke verdoving, door middel van een punctie aan de achterzijde van het bekken, een bepaalde hoeveelheid beenmerg opgezogen. Het beenmerg wordt onder de microscoop onderzocht. Normaal gesproken vormen voorlopercellen (blasten) slechts een klein gedeelte (minder dan 5%) van de cellen in het beenmerg. Bij CML zal het percentage hoger zijn.
  • Cytogenetische analyse: Bij een Cytogenetische analyse worden de cellen in het beenmergmonster onderzocht op afwijkingen. Vooral wordt er aandacht aan chromosoomafwijkingen besteed. Bij CML wordt meestal (95%) een chromosoom afwijking gevonden.

Bovengenoemde laboratorium onderzoeken zijn voldoende voor het stellen van de diagnose. Echter, het is belangrijk om de uitgebreidheid van de ziekte vast te stellen. Dit begint met een zorgvuldig onderzoek van de patiënt. Hierbij wordt er specifiek op de vergrote lymfeklieren, vergrote lever en milt gelet. Door CT scans te maken kan het stadium van de ziekte bepaald worden. Een CT scan (computer tomografie scan) is een afbeelding van een doorsnede van een patiënt die gemaakt wordt met behulp van röntgenstraling.

 

Behandeling chronische leukemie

Er zijn verschillende behandelingen mogelijk voor patiënten met Chronische Myeloïde Leukemie. De standaardbehandeling voor patiënten van alle leeftijden en in alle fasen is Imatinib. Door dit middeltje wordt de werking van eiwit dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van CML geblokkeerd. Imatinib vernietigt alleen de leukemiecellen en niet de gezonde cellen. Bij patiënten die niet in de gevorderde fase zitten, zorgt Imatinib voor een snel herstel van normale bloedcellen. Het is gebleken dat veel patiënten na een periode van een tot vijf jaar nauwelijks nog abnormale cellen aanmaken. Het is mogelijk dat een patiënt later ongevoelig wordt voor Imatinib. Als het geval is, kunnen sterkere middeltjes tegen leukemiecellen gebruikt worden. Helaas werken deze middelen niet altijd en dan kan er van andere behandelingsmethoden gebruik gemaakt worden. Andere mogelijke behandelingen zijn:

  • Chemotherapie: Bij chemotherapie kan van Hydroxyurea gebruik gemaakt worden. Deze stof wordt gebruikt om in een korte tijd het aantal leukocyten te verminderen. Hydroxyurea heeft slechts invloed op het aantal leukocyten, maar remt niet de ontwikkeling van nieuwe leukemiecellen. Op het moment dat andere middelen niet werken, wordt soms Busulfan toegepast. Ook Busulfan heeft geen invloed op de vorming van nieuwe leukemiecellen. Daarbij heeft Busulfan schadelijke bijwerkingen.
  • Biologische therapie: Bij de biologische therapie wordt interferon gebruikt. Interferon bevat natuurlijk voorkomende eiwitten die een rol spelen in het afweersysteem. Op dit moment wordt deze behandeling niet vaak toegepast.
  • Allogene stamceltransplantatie: CML kan alleen door een allogene stamceltransplantatie in combinatie met hoge dosis chemotherapie worden genezen. Deze behandeling is in de beginfase van de ziekte succesvol. Een allogene (donor) stamceltransplantatie is alleen mogelijk wanneer een identieke donor beschikbaar is. Bij deze behandeling kunnen de donorcellen als gevolg van een afweerreactie de abnormale cellen aanvallen. Stamcellen zijn nog niet gespecialiseerd en kunnen zich delen tot elk willekeurig celtype. Tegenwoordig wordt deze behandeling alleen toegepast als andere behandelingsmethodes niet goed werken of als de ziekte gevorderd is.

Het is mogelijk dat CLL patiënten in een gevorderde fase behandeld worden, omdat in de beginfase geen symptomen en klachten aanwezig zijn. Meestal wordt er met chemotherapie begonnen om kwaadaardige CLL cellen te doden. Verder kunnen bepaalde antistoffen toegepast worden om abnormale cellen tegen te werken. Deze antistoffen reageren op lichaamsvreemde cellen (leukemiecellen) en spelen een rol bij het immuunsysteem.

 

Voeding

Kanker ontstaat door een combinatie van factoren. Het is bekend dat een gezond gewicht en een gezonde voeding het risico op kanker verkleind. Echter geeft dit geen zekerheid. Ongezond eten en een te hoog lichaamsgewicht zorgen voor een verhoogd risico. Wanneer men kanker heeft, is gezonde voeding ook erg belangrijk voor een goed herstel. Iemand met kanker heeft gezonde voeding nodig voor een optimale voedingstoestand en het kunnen verrichten van fysieke activiteiten. Het is belangrijk dat de voeding voldoende energie (kilocalorieën) en een evenwichtige samenstelling bevat. Er zijn genoeg aanwijzingen dat een dieet of manipulatie met voedingsstoffen ook het herstel bij kanker kunnen stimuleren.

Het is erg lastig om te bepalen welke voeding een persoon met kanker precies nodig heeft. De behoefte is afhankelijk van leeftijd, geslacht, lichaamssamenstelling, lichaamsgewicht, fysieke activiteiten en fysieke stressfactoren zoals ziekte, koorts, infecties, behandeling en behandelingscomplicaties. Uiteraard kan er een algemeen advies gegeven worden voor het ondersteunen van het herstel bij kanker, in de zin van gezonde voeding.

Een bekend dieet dat zich richt op gezonde voeding en een gezonde leefwijze bij kanker, is het Moermandieet. Ook wel Moermantherapie of –methode genoemd. Hierbij staat gezonde voeding met extra vitamines en mineralen in de vorm van voedingssupplementen centraal, met enkele specifieke regels. Het is een verouderd dieet en door de wetenschap flink bekritiseerd. Het is namelijk ontworpen als behandelmethode tegen kanker. Gezonde voeding kan ondersteunen, maar niet op zichzelf voor genezing zorgen.

 

Vitaminepillen

Het slikken van vitaminepillen is niet nodig bij een gezonde, gevarieerde voeding en een gezond bewegingspatroon. Dit is echter niet voor iedereen vanzelfsprekend. Ter voorkoming van, of als extra ondersteuning bij genezing van kanker, kan in sommige gevallen een aanvullend vitaminepreparaat een klein positief effect hebben. Het soort vitamine verschilt per situatie en per kankersoort.

 

Ondervoeding

Veel mensen met kanker hebben moeite met eten. Oorzaken hiervan kunnen bijwerking van medicatie zijn of soms zorgt de plek van de tumor voor problemen. Bijvoorbeeld als de tumor in het mond- of keelgebied ligt. Maar ook kan een tumor in de darmen ervoor zorgen dat voedingsstoffen niet goed worden opgenomen. De kanker zelf verbruikt veel energie. Hierdoor heeft het lichaam een verhoogde behoefte aan energie. Het lichaam gebruikt de voedingsstoffen uit de voeding. Daarnaast gebruikt de kanker ook de reserves in het lichaam. Wanneer iemand met kanker niet aan die behoefte voldoet, zal diegene afvallen. Het is echter niet verstandig om minder te gaan eten. Sommige mensen denken dat minder eten helpt. Er wordt gedacht dat de kanker ook minder energie krijgt, waardoor het sterft. Dit is echter niet correct. Het gezonde lichaam heeft ook energie nodig. Het risico op ondervoeding is bij kanker dus verhoogd. Als men afvalt, kan dit ook betekenen dat de conditie van het lichaam afneemt. Een gezonde conditie van het lichaam is juist belangrijk voor herstel van kanker. Ondervoeding zorgt dus voor een trager herstel en verhoogt ook de kans op complicaties tijdens of na de behandeling. Als er sprake is van onbedoeld gewichtsverlies, is het verstandig om dit te bespreken met de (huis)arts.

 

Bij ondervoeding is het mogelijk dat “gewoon” eten niet wenselijk is om verschillende redenen. Voldoende eten en drinken zijn echter wel belangrijk om op gezond gewicht te blijven of te komen. Er bestaat ook drinkbare voeding, drinkvoeding, die verrijkt is met extra energie (kcal) of extra eiwit. Drinkvoeding is gemakkelijker om in te nemen en speciaal ontworpen om ondergewicht tegen te gaan. Drinkvoeding kan geadviseerd worden door de arts of door de diëtist. Schroom niet om dit aan de arts of diëtist te vragen. Het is mogelijk om de voeding volledig te vervangen door drinkvoeding, maar het zal in eerste instantie ter aanvulling zijn op de reguliere voeding. Er zijn vele verschillende soorten drinkvoeding verkrijgbaar.

Naast drinkvoeding bestaan er ook andere aanvullende voedingen. Sondevoeding kan ook als aanvullende voeding gebruikt worden. Ook kan alleen sondevoeding gegeven worden, zonder de dagelijkse maaltijden. Alleen sondevoeding komt echter niet vaak voor bij kankerpatiënten. Sondevoeding is een voeding die rechtstreeks aan de maag of dunne darm wordt gegeven. Sondevoeding wordt middels een slangetje via de neus of de mond naar de maag of dunne darm gebracht. De sondevoeding is een vloeibare voeding, waarin alle voedingsstoffen zitten die nodig zijn voor het lichaam. Ook van sondevoeding zijn verschillende varianten verkrijgbaar. De ene variant bevat meer energie en de andere variant bevat meer eiwitten.

 

Chemotherapie

Zoals boven al werd uitgelegd, zijn er veel bijwerkingen van chemotherapie. Enkele hebben veel effect op de voedselinname. Misselijkheid, overgeven, smaakverandering en verminderde eetlust hebben allemaal effect op de voedselinname. Wanneer iemand weinig eet, is de kans op ondervoeding groter. Daarnaast kunnen eventuele infecties minder goed bestreden worden. Dat er minder goed gegeten kan worden is zeer begrijpelijk. Daarom kan er aanvullende drinkvoeding of sondevoeding worden gegeven. Soms kunnen producten niet meer lekker gevonden worden. Een stukje biefstuk kan tegenstaan en geheel anders smaken. Zelfs water kan een heel andere smaak krijgen bij een kankerpatiënt. Het is belangrijk dat producten steeds opnieuw worden geprobeerd. Probeer nieuwe dingen te eten. Wat vóór de chemotherapie niet lekker was, kan nu wel lekker zijn.

 

Onderzoek

  • Uit een Japans onderzoek blijkt dat groene thee de kans op leukemie kan verminderen. Onderzoekers van de Tokohu universiteit vonden dat bij een hoog gebruik van groene thee, de kans op leukemie tot 42 procent afneemt. Deze resultaten blijken uit het onderzoek, waarbij 40.000 Japanners bij betrokken waren. Gedurende een periode van 10 jaar werd de leeftijd, geslacht, levenswijze en gezondheid geregistreerd. Ook de onderzoekers in Groot-Brittannië en Spanje ontdekten dat groene thee bestanddelen bevat die de groei van kankercellen kunnen voorkomen. Deze bestanddelen hebben een vergelijkbare werking met chemotherapie. Echter, voor een effectieve werking is een grote hoeveelheid van groene thee nodig. Zwangere vrouwen moeten wel voorzichtig van groene thee gebruikmaken, omdat groene thee de opname van foliumzuur kan verminderen. 
  • Bij sommige leukemiepatiënten bij wie er na de behandeling geen abnormale cellen in het bloed aanwezig waren, komt de ziekte toch terug. Kleine aantallen leukemiecellen, die na behandeling in het beenmerg achterblijven, konden vroeger niet worden opgespoord. Het is nu wel mogelijk om met gevoeligere methoden deze kleine aantallen leukemiecellen op te sporen. Deze cellen kunnen niet onder de microscoop waargenomen worden. Deze cellen kunnen gedetecteerd worden door het aantonen van veranderingen in het DNA met behulp van eiwitten op deze cellen. Dit is mogelijk omdat de leukemiecellen eiwitten dragen. Deze eiwitten kunnen worden aangetoond met een antistof die specifiek gericht is tegen dit eiwit. Aan dit eiwit kan een bepaalde stof worden gekoppeld. Hierdoor wordt de abnormale cel gemarkeerd. Daarmee kan 1 kwaadaardige cel op 10.000 normale cellen worden aangetoond. Dit is een veel gevoeliger methode dan de beoordeling onder de microscoop, waarmee 1 kwaadaardige cel op 100 cellen kan worden aangetoond. Het blijkt dat met deze methode de vooruitzichten van de leukemiepatiënten veel beter te voorspellen zijn. 
  • Onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en het Duitse Max Planck Instituut hebben ontdekt dat er geen externe ziekteverwekkers zijn die chronische leukemie veroorzaken. Door deze ontdekking zijn wel nieuwe mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe oplossingen ontstaan. Onderzoekers weten nu dat de cellen waar leukemie ontstaat, aangepakt moeten worden. Er wordt verwacht dat na een tijd gebruik gemaakt kan worden van deze ontdekking. De onderzoekers gaan nu verder met het onderzoek in de hoop een geschikt medicijn te vinden.

 

Externe informatie of producten

We zijn extern onderstaande boeken, betreffende leukemie, voor u tegengekomen:

  • Leukemie. Nederlands, Stichting September. Antwoorden op veel vragen betreffende leukemie. Het is bedoeld voor volwassenen met acute lymfatische, acute myeloïde, chronische lymfatische of chronische myeloïde leukemie en gaat niet in op leukemie bij kinderen.
  • Lucky me, e-BOOK. Auteur Kittie Oostindjer, Nederlands, 94 pagina's. Bij de schrijfster werd acute leukemie (AML) geconstateerd. Zij heeft getracht haar belevenissen in het ziekenhuis, met de zwaarste chemo kuren, op een humoristische wijze te beschrijven.
  • Gebroken bloed, diagnose acute leukemie. Auteur Lisa Hilders, Nederlands, 256 pagina's. Een goed leesbaar en aangrijpend boek. Wel is het nogal uitgebreid en gedetailleerd, wat de lezer kan afschrikken. Mensen die een vergelijkbare situatie van nabij meemaken, zullen er door geraakt worden.
  • Alleen haar zusje kan haar redden. Auteur Sophie van den Bergh, Nederlands, 256 pagina's. Dagverslagen van zowel de medische zaken als de menselijke emoties rondom de diagnose 'acute myeloïde leukemie' van haar twee maanden oude dochtertje. Het leven tussen hoop en vrees en de uiteindelijke genezing van baby Juliette door de beenmergtransplantatie van haar driejarige zusje worden vanuit de ervaring van de moeder beschreven.

 

Meer weten of advies?

DietCetera biedt voor het voedingsdoel leukemie geen diensten aan. Aangezien de relatie tussen voeding en kanker erg complex is, is het belangrijk om multidisciplinair behandeld te worden. Multidisciplinair houdt in dat mensen met een verschillend beroep betrokken zijn bij de behandeling. Denk bijvoorbeeld aan de combinatie van een arts, diëtiste en fysiotherapeut. In het ziekenhuis kunt u het makkelijkst multidisciplinair behandeld worden, aangezien de arts en de diëtiste onder een dak zitten en makkelijk met elkaar kunnen communiceren over uw behandeling en te geven adviezen. DietCetera verwijst u dan ook graag naar uw ziekenhuis.

Wanneer u interesse heeft in algemene adviezen rondom smaakverandering bij kanker of tips omtrent voeding bij de chemokuur, dan verwijzen wij u naar de voedingsdoelverdieping kanker.

 

Disclaimer voedingsdoelen

DietCetera geeft u met bovenstaande tekst slechts algemene informatie. Wij hebben deze tekst niet gericht op individuele personen en omstandigheden. Vanzelfsprekend hebben we wel getracht deze informatie zo duidelijk en correct mogelijk te omschrijven. U blijft echter zelf verantwoordelijk voor uw eigen keuzes en interpretaties. Mocht u specifieke vragen of problemen hebben dan adviseren we u contact op te nemen met uw (huis)arts, diëtist (zoals via DietCetera) of andere deskundigen. DietCetera is niet aansprakelijk voor eventuele schade ten gevolge van het onjuist interpreteren van deze tekst.

 

Vorige

top