Brede diëtisten informatie over voedingsdoelen

Antidiabetica

Het is belangrijk voeding, beweging en antidiabetica goed op elkaar af te stemmen. Wanneer dit goed op elkaar is afgestemd, kunnen complicaties voorkomen worden.

Antidiabetica worden ook wel bloedsuikerverlagende middelen genoemd. Antidiabetica worden gebruikt wanneer er sprake is van suikerziekte. Een ander woord voor suikerziekte is diabetes mellitus. Suikerziekte is een chronische ziekte. Chronisch wil zeggen dat het langdurig of blijvend is. Wanneer er sprake is van suikerziekte wordt er geen of onvoldoende insuline geproduceerd. Insuline is een hormoon dat gemaakt wordt in de alvleesklier. Een hormoon is een stof die in het lichaam wordt afgegeven. Hormonen hebben invloed op de werking van bepaalde organen. De alvleesklier is een orgaan gelegen in de buik.

Omdat er geen of onvoldoende insuline geproduceerd wordt, kan het lichaam geen glucose opnemen. Het gevolg hiervan is dat het lichaam de bloedsuikerspiegel niet binnen de normale grenzen kan houden. Glucose wordt gevormd uit koolhydraten. Koolhydraten, ook wel suikers genoemd, vormen een belangrijke energiebron voor het lichaam en krijgt men via de voeding binnen. Met de bloedsuikerspiegel wordt de hoeveelheid glucose in het bloed bedoeld. Normaal gesproken zorgt insuline er voor dat het lichaam glucose uit het bloed kan opnemen. Hierdoor daalt de bloedsuikerspiegel. Nu er geen of onvoldoende insuline wordt geproduceerd, zal de bloedsuikerspiegel stijgen. Het gevolg hiervan is dat men klachten krijgt. Men heeft bijvoorbeeld veel dorst en zal vaak naar de wc gaan. Tevens kan men zich moe en lusteloos voelen. Daarnaast kan gewichtsverlies optreden. Dit komt omdat glucose niet door het lichaam opgenomen kan worden. Glucose kan dus geen energie leveren. Het gevolg hiervan is dat het lichaam de energie uit vetten gaat halen.

 

Er bestaan verschillende vormen van suikerziekte. De meest bekende vormen zijn diabetes mellitus type 1 en diabetes mellitus type 2, ook wel ouderdomsdiabetes genoemd.

  • Bij diabetes mellitus type 1 maakt de alvleesklier (vrijwel) geen insuline aan. 
  • Bij diabetes mellitus type 2 maakt de alvleesklier nog wel insuline aan, maar dit is onvoldoende.

Een andere vorm van diabetes mellitus is zwangerschapsdiabetes, ook wel diabetes gravidarum genoemd. Deze vorm kan ontstaan, zoals de naam al zegt, tijdens de zwangerschap. Na de bevalling gaat deze vorm van diabetes weer over.

In Nederland zijn er zo’n 740.000 mensen die weten dat zij diabetes mellitus hebben. Daarnaast zijn er nog minimaal 250.000 mensen die diabetes mellitus hebben, maar waarbij de diagnose nog niet is gesteld. Negen op de tien mensen met diabetes mellitus hebben diabetes mellitus type 2.

 

Soorten en werking

Er bestaan verschillende soorten antidiabetica. Zo bestaat er orale antidiabetica en insuline. Ook van orale antidiabetica en insuline bestaan er verschillende varianten. Orale antidiabetica kan niet bij diabetes mellitus type 1 gegeven worden. Dit komt omdat er bij diabetes mellitus type 1 helemaal geen insuline meer wordt geproduceerd. Antidiabetica kunnen een wisselwerking hebben met andere geneesmiddelen. Dit wil zeggen dat het ene geneesmiddel de werking van het andere geneesmiddel beïnvloedt. Dit verschilt per antidiabetica.

In 2011 gebruikten 570.000 mensen in Nederland orale antidiabetica. 150.000 mensen gebruikten insuline. Daarnaast waren er nog eens 150.000 mensen die zowel orale antidiabetica als insuline gebruikten.

 

Orale antidiabetica

Orale antidiabetica worden via de mond ingenomen in de vorm van een tablet. Orale antidiabetica stimuleren de productie van insuline door de alvleesklier. Door de productie van insuline kan het bloedsuikergehalte dalen. Tevens kunnen sommige orale antidiabetica de weerstand die het lichaam heeft opgebouwd tegen insuline verminderen. De verschillende soorten orale antidiabetica zijn:

  • Sulfonylurea: Sulfonylurea stimuleert de productie van insuline. Daarnaast worden de lichaamscellen waarschijnlijk gevoeliger voor insuline. Dit middel dient 30 minuten voor de maaltijd genomen te worden. Voorbeelden van sulfonylurea zijn tolbutamide, glipizide, gliquidon en gliclazide.
  • Meglitinides of gliniden: Meglitinides of gliniden verhogen de productie van insuline. Deze middelen werken erg snel en dienen daarom bij of vlak voor de maaltijd te worden ingenomen. Deze middelen werken kort. Een voorbeeld van een meglitinide of glinide is repaglinides.
  • Biguaniden: Biguaniden zorgen er voor dat de insulinegevoeligheid in het lichaam verhoogd wordt. Dit betekent dat het lichaam beter op het hormoon insuline reageert en de bloedsuikerspiegel lager wordt. Tevens vertragen biguaniden de snelheid waarmee glucose wordt opgenomen. Hierdoor zal de bloedsuikerspiegel minder snel stijgen. De opname van glucose bij de spiercellen wordt verbeterd. De vrijstelling van glucose uit glycogeen ter hoogte van de lever wordt vertraagd. Glycogeen is een voorraad van glucose en is opgeslagen in de lever en spieren. Biguaniden dienen tijdens of na de maaltijd ingenomen te worden. Een voorbeeld van een biguanide is metformine.
  • Thiazolidinediones of glitazones: Thiazolidinediones of glitazones verlagen de insulineweerstand bij de spieren, vetweefsel en lever. Hierdoor kan glucose beter worden opgenomen. Deze orale antidiabetica dient men twee keer per dag te nemen. Een voorbeeld van een thiazolidinediones of glitazone is pioglitazone.
  • Glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren: Glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren vertragen de opname van koolhydraten. Door deze vertraagde opname, zal het bloedsuikergehalte minder snel stijgen. Deze orale antidiabetica dient men bij de maaltijd in te nemen. Een voorbeeld van glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitor is acarbose.
  • DPP-4-remmers: DPP-4-remmers bevorderen de afgifte van insuline wanneer de bloedsuikerspiegel te hoog is. Een voorbeeld van een DPP-4-remmer is vildagliptine.

 

Insuline

Insuline zorgt voor verlaging van het bloedglucose. Er wordt voor insuline gekozen wanneer men zelf geen of onvoldoende insuline aanmaakt. Bij diabetes mellitus type 1 is het toedienen van insuline noodzakelijk. De insuline wordt door middel van een injectie onder de huid gespoten. Na een goede voorlichting van de diabetesverpleegkundige kan de patiënt zelf de insuline injecteren. Er bestaan verschillende soorten insuline:

  • Super kortwerkende insuline: Super kortwerkende insuline dient direct voor of direct na de maaltijd genomen te worden. De insuline werkt voor ongeveer 4 tot 5 uur.
  • Kortwerkende insuline: Kortwerkende insuline verlaagt na ongeveer 10 tot 30 minuten de bloedsuikerspiegel. Deze daling blijft 2 tot 8 uur aanhouden.
  • Middellangwerkende insuline: Middellangwerkende insuline verlaagt na ongeveer 1 tot 2 uur de bloedsuikerspiegel. Deze daling blijft 16 tot 24 uur aanhouden.
  • Langwerkende insuline: Langwerkende insuline werkt gedurende de hele dag wanneer het volgens voorschrift wordt gebruikt.

 

Bovenstaande soorten insuline kunnen met elkaar worden gecombineerd. Dit zorgt voor een optimale werking van insuline en de bloedsuikerspiegel.

De plek waar de insuline wordt ingespoten heeft ook invloed op hoe lang het duurt voordat de insuline gaat werken. Zo doet insuline snel zijn werk wanneer het in de buik wordt geïnjecteerd. Wanneer insuline in de bovenarm wordt geïnjecteerd is de snelheid dat insuline gaat werken normaal. Wanneer insuline in de bil of het bovenbeen wordt geïnjecteerd, duurt het langer voordat insuline werkt.

Insuline kan op verschillende manieren worden toegediend. Zo kan een injectiespuit, insulinepen of insulinepomp worden gebruikt. Bij de injectiespuit en de insulinespuit dient de persoon zelf de insuline toe te dienen. Bij een insulinepomp is dit anders. Een insulinepomp geeft namelijk een continue stroom van kortwerkende insuline af. Via een slangetje en een naaldje komt de insuline in het lichaam terecht. Van te voren wordt geprogrammeerd hoe snel of langzaam de insulinepomp insuline afgeeft. Zo geeft de insulinepomp vlak voor een maaltijd extra insuline af. En ook voor de nacht past de insulinepomp automatisch het tempo aan waarin de insuline wordt geleverd. Het voordeel van een insulinepomp is dat men zichzelf niet meer hoeft te injecteren. Tevens is het makkelijker om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden. Wel blijft zelfcontrole belangrijk bij een insulinepomp.

 

Bijwerkingen

Bij het gebruik van antidiabetica dient men voorzichtig te zijn. Zowel orale antidiabetica als insuline kan bij verkeerd gebruik nare bijwerkingen geven. Maar bij goed gebruik kunnen er ook een aantal bijwerkingen optreden. Wees daarom voorzichtig met het gebruik van antidiabetica en volg de instructies op van de arts of diabetesverpleegkundige.

antidiabeticadiabetes mellitus type 1diabetes mellitus type 2suikerziekteinsulineorale antidiabeticaglycogeenalvleesklierbloedsuikerspiegelhyperhypoglucosekoolhydratenhyperglycaemiehypoglycaemieoedeemmetformin

Bijwerkingen orale antidiabetica

Er kunnen verschillende bijwerkingen optreden bij het gebruik van orale antidiabetica:

  • Sulfonylurea: Bij het gebruik van sulfonylurea kan een te laag bloedsuikergehalte optreden. Een te laag bloedsuikergehalte wordt ook wel een hypo of een hypoglycaemie genoemd. Er zit dan te weinig glucose in het bloed. Kenmerken van een hypo zijn honger, bleekheid, zweten, beven, vermoeid, duizeligheid, hoofdpijn en een wisselend humeur.
  • Meglitinides of gliniden: Bij het gebruik van meglitinides of gliniden kan ook een hypo optreden. Het risico hierop is echter kleiner.
  • Biguaniden: Er kunnen verschillende bijwerkingen optreden bij het gebruik van biguaniden. Voorbeelden van bijwerkingen zijn misselijkheid, een metaalsmaak in de mond, verminderde eetlust en buikkrampen. Vaak komen deze bijwerkingen aan het begin van de behandeling voor.
  • Thiazolidinediones of glitazones: Bij het gebruik van thiazolidinediones of glitazones kan oedeem ontstaan. Met oedeem wordt vochtophoping bedoeld. Doordat het lichaam extra vocht vasthoudt, neemt het lichaamsgewicht toe.
  • Glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren: Bij het gebruik van glucosidaseremmers of alfaglucosidase-inhibitoren kunnen onder andere darmrommelingen en winderigheid ontstaan.
  • DPP-4-remmers: Bij het gebruik van DPP-4-remmers kunnen onder andere hoofdpijn, duizeligheid en verstopping van de ontlasting optreden.

 

Bijwerkingen insuline

Bij het gebruik van insuline kunnen een aantal bijwerkingen optreden:

  • Te hoog bloedsuikergehalte: Een te hoog bloedsuikergehalte wordt ook wel een hyper of een hyperglycaemie genoemd. Een hyper ontstaat wanneer men te weinig insuline toedient. Kenmerken van een hyper zijn vaak plassen, veel drinken, dorst, een droge tong, vermoeidheid en slaperigheid.
  • Te laag bloedsuikergehalte: Een hypo ontstaat wanneer men te veel insuline toedient. Tevens kan een hypo ontstaan wanneer te weinig of te laat wordt gegeten, bij lichamelijk inspanning of wanneer de insuline in een ander lichaamsdeel wordt toegediend.
  • Overgevoeligheid: Men kan overgevoelig zijn voor een bepaalde insuline of de toevoegingen die in de insuline zitten. Het lichaam ziet de stof insuline dan als schadelijk. Het gevolg hiervan is dat het lichaam in actie komt. Hierdoor kunnen klachten als jeuk, roodheid en zwelling rond de injectieplaats optreden. Ook kan de overgevoeligheid zich op andere delen van het lichaam uiten. Zo kan men jeuk krijgen en rood worden over het hele lichaam. De lippen en oogleden kunnen opzwellen en men kan last krijgen van benauwdheid. Tevens kan een overgevoeligheid zich uiten in het moeilijk reguleren van het bloedsuikergehalte en/of men kan juist grote hoeveelheden insuline nodig hebben.

 

Voeding en anti diabetica

Wanneer er sprake is van diabetes mellitus en men gebruikt antidiabetica, is het belangrijk dat de voeding en antidiabetica goed op elkaar zijn afgestemd. Wanneer dit goed op elkaar is afgestemd, kunnen complicaties en bijwerkingen worden voorkomen.

Elk mens heeft een andere voedingsbehoefte. Met voedingsbehoefte wordt bedoeld wat men dagelijks aan voeding nodig heeft. Het is belangrijk dat men niet meer eet dan nodig is. Wanneer men te veel eet, kan het gewicht namelijk toenemen. Wanneer er sprake is van overgewicht, neemt de kans op diabetes mellitus type 2 toe. Bij diabetes mellitus type 2 kan het daarom helpen om af te vallen. Wanneer men afvalt, worden de weefsels namelijk gevoeliger voor insuline. Hierdoor kan er beter glucose worden opgenomen. Een gewichtsafname van 5 tot 10 procent kan al effectief zijn. 

Tevens is de keuze van voedsel belangrijk. Zo is het belangrijk om gezond te eten en voldoende te variëren.

 

Eerder is er al gesproken over koolhydraten. Er bestaan twee soorten koolhydraten. Deze worden ook wel snel resorbeerbare koolhydraten en traag resorbeerbare koolhydraten genoemd. Snel resorbeerbare koolhydraten worden snel in de bloedbaan opgenomen. Het gevolg hiervan is dat het bloedsuikergehalte snel stijgt. Voorbeelden van voedingsmiddelen met snel resorbeerbare koolhydraten zijn frisdrank, snoep en ijs. Traag resorbeerbare koolhydraten worden minder snel opgenomen. Door deze minder snelle opname, zal het bloedsuikergehalte minder snel stijgen. Voorbeelden van voedingsmiddelen met traag resorbeerbare koolhydraten zijn peulvruchten, aardappelen en rijst. Om er voor te zorgen dat de koolhydraten beetje bij beetje in het bloed komen, kan beter voor traag resorbeerbare koolhydraten gekozen worden. De medicatie dient afgesteld te worden op de hoeveelheid koolhydraten die worden gegeten.

Voedingsvezels kunnen er voor zorgen dat koolhydraten langzamer worden opgenomen. Voedingsvezels zijn stoffen die niet verteerd worden. Voedingsvezels zijn belangrijk voor een goede spijsvertering en zorgen daarnaast voor een verzadigd gevoel. Voedingsvezels zitten onder andere in volkoren producten, peulvruchten, groenten en fruit.

Bij diabetes mellitus is het belangrijk geen grote hoeveelheden alcohol te drinken. Alcohol kan namelijk een hypo veroorzaken. Wanneer men toch wil drinken, is het belangrijk dit op een gevulde maag te doen. Wanneer men op een lege maag drinkt, kan er eerder een hypo optreden.

 

Beweging en anti diabetica

Niet alleen de voeding dient goed afgestemd te zijn op de antidiabetica. Dit geldt ook voor beweging. Wanneer antidiabetica en beweging niet goed op elkaar worden afgestemd, kunnen klachten optreden. Zo kan er een hypo of juist een hyper optreden.

Wanneer voldoende en regelmatig wordt bewogen, is het makkelijker om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden. Daarnaast wordt de kans op complicaties ten gevolge van diabetes mellitus kleiner. Een andere mooie bijkomstigheid is dat door beweging vaak minder geneesmiddelen gebruikt te hoeven worden. Door beweging neemt namelijk de insulinegevoeligheid toe.

 

Onderzoek

  • De buikomtrek kan mogelijk diabetes mellitus type 2 voorspellen. Dit is met name het geval bij vrouwen. Vrouwen die een middelomtrek van 88 centimeter of meer hadden, hadden een 31,8 keer zo grote kans op het ontwikkelen van diabetes mellitus type 2. Wanneer mannen een grotere middelomtrek dan 102 centimeter hadden, was de kans op diabetes mellitus type 2, 22 keer zo groot.
  • Onvoldoende slaap kan, in combinatie met onvoldoende beweging en een ongezond voedingspatroon, voor het ontstaan van diabetes mellitus type 2 zorgen.

 

Externe informatie of producten

We zijn extern onderstaande boeken, betreffende antidiabetica, voor u tegengekomen:

 

Disclaimer voedingsdoelen

DietCetera geeft u met bovenstaande tekst slechts algemene informatie. Wij hebben deze tekst niet gericht op individuele personen en omstandigheden. Vanzelfsprekend hebben we wel getracht deze informatie zo duidelijk en correct mogelijk te omschrijven. U blijft echter zelf verantwoordelijk voor uw eigen keuzes en interpretaties. Mocht u specifieke vragen of problemen hebben dan adviseren we u contact op te nemen met uw (huis)arts, diëtist of andere deskundigen. DietCetera is niet aansprakelijk voor eventuele schade ten gevolge van het onjuist interpreteren van deze tekst.

 

Vorige

top